Kroniek Schoonebeek - Molens in Schoonebeek

Artikelindex

 

 

 februari 1972

 

In en om de molens van Schoonebeek.  (Windmolens en watermolens.)                              

 

Wanneer wij in verband met bovenstaande een en ander willen vermelden over de vroegere windmolens alhier, blijkt het ons dat onze gemeente vroeger een 4 tal van deze molens rijk is geweest. Helaas zijn ze na verloop van tijd alle verdwenen. Twee molens stonden er te Oud Schoonebeek en ook twee in Nw Schoonebeek. Het valt ons op dat deze molens geen van alle van oude datum zijn. Terwijl in de dorpen in deze omgeving, we bedoelen dan voornamelijk de dorpen over de grens, al heel lang wind en watermolens aanwezig waren, was dat hier niet het geval. Wel staat het historisch vast dat in de buurt van het huis ten Pade, het tegenwoordige Padhuis, reeds in de dertiende eeuw een watermolen in de Beek (thans het Schoonebekerdiep) aanwezig was.

      Toch is men er in lange tijd nadien niet toe overgegaan tot de bouw van windmolens. Wel is het bekend en dit staat ook historisch vast dat wanneer in vroeger eeuwen b.v. de vijftiende en zestiende eeuw de schulte van Coevorden, onder welk Schultambt Schoonebeek toen reeds resulteerde, jaar­lijks bij de boeren rond ging en gegevens verzamelde voor belasting betaling dat er ook o.a. van rosmolens sprake was. Wij hebben dit in het rijksarchief te Assen ingezien en daarbij is ons gebleken dat iedere eigengeërfde boer op zijn erf een rosmolen had staan. Van zo'n rosmolen hebben we geen na­dere omschrijving kunnen vinden. We stellen ons voor dat je hier te doen had met 2 molenstenen, een onder- en bovensteen waartussen het graan gebroken kon worden, grof gemalen dus.

      De bovensteen werd door een paard in beweging gebracht en over de ondersteen rond gedraaid. Zo'n bovensteen was in het midden open. Tot goed begrip zouden we het zo willen zeggen, de bovensteen draaide, de ondersteen lag stil. Men had een bak boven het gat van de bovensteen aangebracht en het malen kon beginnen wanneer men het koren in de bak had laten lopen. Onder de ondersteen  had men dan een ver­gaarbak waar het grof gemalen meel in terechtkwam. Daar schijnt men in de hele oude tijd hier voldoende aan gehad te hebben.

     Op iedere boerderij was een baktrog aanwezig en in die baktrog werd het grof gemalen roggemeel tot broden verwerkt en in de oven gezet. Het zwarte roggebrood kennen we ook nu nog wel, maar vroeger werd het iets gezuurd.

Wilde men een fijnere broodsoort, dan werd fijner gemalen en men kreeg dan een broodsoort, mik geheten die niet gezuurd werd. Weer later werd dit fijnere meel zoveel mogelijk van de zemels ontdaan door een zeef die aangebracht was boven de baktrog. Door een schuddende beweging trachtte men zemels en meel te scheiden.

     Van dit meel werd dan een baksel bereid onder de naam "boerenstoete".

 

 

 

  

Maart 1972

 

In en om de molens van Schoonebeek. (Emlichheimer molen).

 

Langzamerhand kreeg men voor de rosmolens in de plaats, de wind en watermolens. Ons dorp en onze omgeving waren in die tijd als we het zo zeggen mogen veel meer aangewezen op het Graafschap Bentheim dan op de Drentse esdorpen, want tussen die laatste en onze omgeving waren vanouds ontoegankelijke venen.

      Bewijzen hiervoor zijn de vele oude gewoonten die zich aanslui­ten bij die van onze zuiderburen. Daarbij komt nog dat de Gra­ven van Bentheim z.g. alleen baas over de wind en het water waren. Zover hun macht reikte, mocht niemand een molen bouwen dan de graaf zelf. De rompen van die molens zijn nog aanwezig in verschillende plaatsen van onze zuiderburen.

Het bouwmate­riaal van die molens was Bentheimer steen. Ook de molenstenen waren van Bentheimer steen. Dat materiaal had de graaf zelf. De steengroeven bij Bentheim en in de naaste omgeving getuigen nog van dit bouwmateriaal. Niet alleen werden de wind en wa­termolens van deze steen gebouwd maar ook de oude kerken in de vroegere graafschap. Zelfs het koninklijk paleis op de Dam te Amsterdam is van deze steen gebouwd.

      Na dit uitstapje komen we weer op onze molens terug. Wanneer zo'n molen klaar was bleef die in eigendom van de graaf van Bentheim, maar hij ging die molens verpachten. Wanneer we b.v. eens in Velthausen, Ulsen, Laar of Hardingen komen, is het de moeite waard de oude steenklompen van vroegere wind of watermolens te bekijken. Nu we het toch over de Bentheimer molens hebben, maakte de windmolen in Emlichheim een uitzondering op het straks genoemde wind en waterrecht van de graven. Deze molen, thans ook verdwenen, was vroeger niet het eigendom van de graaf maar van de plaatselijke kerk.

      Waarom de Emlichheimer molen niet van één van de graven, maar van de kerk was, is niet bekend. Om op het reilen en zei­len van de Schoonebeker bevolking terug te komen is het in de loop der jaren duidelijk geworden dat de levensgewoonten sterk veranderden. De hele inrichting van onze boerenbedrijven zijn aanmerkelijk veranderd en verbeterd. In het bijzonder de aardappelteelt, die zijn intrede had gedaan. Voorts de gebrande veenboekweit die hoe langer hoe meer verbouwd werd.

Vroeger werd er door de boeren naast rogge ook gerst geteeld. Oude mensen hadden het nog vaak over pelgerst. Om die gerst van de bassen te ontdoen had men andere werktuigen nodig dan de oude rosmolens.

Er kwamen pelmolens niet alleen van de graafschap Bentheim, maar er was ook één van oude datum in Coevorden.

 

 

  

 

april 1972

 

In en om de molens van Schoonebeek.  Coevorder pelmolen,

(boekweit en builkisten.)

We eindigden de laatste keer dat er ook te Coevorden een pelmolen was. We trachten u hiermede duidelijk te maken dat onze boerenbevolking behoefte kreeg aan andere en betere malerijen na de rosmolens van vroeger. Het artikel boekweit dat hoe lan­ger hoe meer in zwang kwam had voor dat het gemalen kon worden nogal enige behandeling nodig.

      Wanneer de boekweit gedorst was en daarna met de wan of later met de wanmolen van het kaf gezuiverd, moest het zaad nog getreden worden d.w.z. met platte klompen in een tobbe of bij grotere hoeveelheden op de deel of soms ook op een kleed buiten. Dan gingen de schoentjes van de zaden af zeiden de oude boeren vroeger en verkreeg men een prachtig glanzend artikel. De veenboekweit, die hoe langer hoe meer verbouwd werd in het laagje as dat er over bleef na de veenbranden, was ook mede de oorzaak dat de rosmolens hoe langer hoe meer in onbruik raakten, alhoewel ze in ons dorp nog in ge­bruik bleven tot  + 1830 toe.

      Men kreeg zo langzamerhand de smaak van het boekweitemeel te pakken en 't was een nieuwe zelfvoorziening in de oude tijd, want de raapolie was toen ook in ieder boerengezin aanwezig. Denk maar aan het raapzaad dat op iedere boerderij verbouwd werd. Om echter de zemels en de bloem van de boekweit gescheiden te krijgen had men een betere malerij nodig dan de rosmolens. Van­daar dat er wind en watermolens kwamen, waarin een builkist aan­wezig was. Het was nu mogelijk om een scheiding aan te brengen tussen zemels en bloem.

      Overal om ons dorp heen, niet alleen over de Duitse grens, maar ook in de oude zanddorpen van onze provincie kwamen de molens met builkisten tot stand. Ons dorp bleef hier echter in achter. We hebben ons dan ook afgevraagd waarom hier niet, We menen als een oorzaak te mogen noemen de accijns op het gemaal. Deze ac­cijns was een indirecte belasting op het fijn meel die in 1822 is ingevoerd. De Schoonebeker boeren trachtten in die tijd, waar niet veel geld aanwezig was, deze ontheffing te ontgaan door over de grens te laten malen waar men geen accijns hoefde te betalen. Men ging dus maar liever met een pong naar Emmelkamp, nu Emlichheim. Dat was natuurlijk wel een meevallertje voor de molenaars daar en ook voor de Graaf van Bentheim. De Graaf van Bentheim zat in 1752 erg onder de schulden. Het gelukte hem in dat jaar het geld dat hij nodig had om zijn schulden te voldoen, van de koning van Hannover te lenen. Echter onder deze voorwaarde dat hij zijn land voor 30 jaar als onderpand gaf. Was de Graaf niet in staat binnen genoemde 30 jaar het geleende geld terug te betalen dan verviel zijn land aan Hannover. Die terugbetaling hebben de Bentheimers niet kunnen volbrengen. Wel zijn er pogingen gedaan, ook in de Franse tijd om Bentheim weer van Hannover los te weken en de zelfstandige Graafschap als van ouds te herstellen, maar het is er niet van gekomen.

      Tenslotte na heel wat geharrewar is op het Weener Congres, Bentheim definitief aan Hannover toegevoegd.

Gingen de boeren van Schoonebeek met een pong over het hoofd en de schouders naar Emlichheim, die van Nieuw-Schoonebeek (waar zich reeds vele kolonisten uit het oude Munsterland hadden gevestigd) gingen met hun koren over onze oostgrens naar Rühle en Hesepe. Men nam ook wel eens voor een vrachtje koren de kruiwagen mee. Men ging dan beurtelings zo'n kruiwagen schuiven of met een touw over de schouder trekken.                                                                         

 

 

 

mei 1972

 

In en om de molens van Schoonebeek. Schoonebeeker molens (I),  

(Fam. Van Aalst.)

 

Natuurlijk moest op zo’n tocht met de kruiwagen zo nu en dan worden gerust. Men ging dan op de kruiwagen zitten en het is voorgekomen dat men rustende in slaap viel.

Wakker geworden wist men soms niet of men voor de rustpauze de kruiwagen voort- geschoven of getrokken had.

Op goed geluk ging men dan maar weer voort, maar het is gebeurd dat men in plaats van thuis weer bij de molen terechtkwam. Van een en ander is het onze conclusie dat men liever grote reizen of zware tochten over de grens ondernam dan dat er in onze plaats een molen werd gesticht. Over de accijns nog dit. In ieder dorp was een z.g. subontvanger waar men een gemaalbiljet kon halen tegen betaling. Wanneer zo’n biljet aan de molenaar getoond kon worden mocht hij malen en ook builen. Wanneer zo’n biljet er niet was, mocht de molenaar alleen overmeel malen maar om het voor menselijk voedsel onbruikbaar te maken roerde de molenaar fijn zand door het product. Daarom horen we nu stuifzand nog maalzand noemen.

      Deze accijns (indirecte belasting) lag niet alleen op het malen, maar ook op het slachten van rundvee, varkens en schapen. Ze is geheven tot het jaar 1855 toe.

Het is historisch bekend dat genoemde accijns veel weerstand heeft ontmoet. Het was zelfs zo toen Nederland en België één koninkrijk waren, dat onze zuiderburen ook zeer sterk hier tegen waren gekant.

      De accijns op het slachten van rundvee bleef nog veel langer bestaan en werd in de laatste wereldoorlog door de Duitse bezetter te niet gedaan. We hebben verband menen mogen te leggen tussen deze veel genoemde accijns die in 1855 verdween en de molens te Schoonebeek. Want het is opmerkelijk dat na dat jaar 1855, zoals door ons in Assen aan het Rijksarchief is uitgezocht, er hier mensen waren die ook in de grensstreek het aandurfden een molen te bouwen.

      De eerste die dit in ons dorp heeft beproefd was Jan Volkers. Hij heette in de wandeling bakker Jan en hij woonde waar nu (1972) de familie Snijders woont ten westen van de garage Rave. Van hem is bekend dat hij vol zat van het perpetium mobilé of anders gezegd de altoos durende beweging (denk in dit geval eens aan de heer Wardenier waar toen veel over geschreven is).

      De heer Volkers diende een aanvraag in bij Ged. Staten van Drenthe om een korenmolen in ons dorp te mogen zetten, maar een jaar later trok hij dit verzoek weer in.

In het jaar 1856, dus een jaar later dan de accijns op het gemaal werd ingetrokken, richtte ook een zekere Abel Wigboldus van Aalst eveneens een verzoek in bij Ged. Staten om een molen te mogen bouwen.

Deze van Aalst woonde te Coevorden, hij was gepensioneerd grenscommies. De door hem te stichten molen zou volgens zijn aanvrage een stellingmolen zijn met annex olie en pelmolen. Deze aanvrage werd door Ged. Staten doorgezonden naar Den Haag. Daar wilde men precies weten waar deze molen gebouwd zou worden, hoe ver die zou komen te staan van de Duitse grens en van de Herenweg (de tegenwoordige straatweg).

 

  

Na genoemde inlichtingen, 1500 ellen uit de grens en 30 ellen van de Herenweg, kwam ongeveer een jaar later de vergunning af en werd deze molen door van Aalst gebouwd.

      De reden dat de molen 30 ellen van de weg moest staan was hoogst waarschijnlijk deze: dat de paarden er niet bij langs te krijgen waren of er vandoor gingen.

A.B. van Aalst was al een man op jaren en bouwde deze molen voor zijn beide zonen. H. v. Aalst en M. v. Aalst.

      Deze beiden schenen niet veel belang bij het molenaarswerk te hebben. Want toen de molen klaar was kwam de molen in handen van Evert Evers.

Hij was eerste molenaarsknecht en trouwde enige jaren later met een dochter van A.W. van Aalst.

      Hij is jaren eigenaar van deze molen geweest en heette in de wandeling mulder Evert.

      Nadien is de molen verhuurd geweest aan  A. Bos. Weer later is deze molen in eigendom overgegaan aan W. Pauw.

      In die tijd, in de winter van 1903 is deze molen door brand verwoest. Er kwam een andere molen in de plaats die door Pauw in de provincie Groningen was gekocht, daar afgebroken en opnieuw hier opgebouwd.

      Na verloop van tijd ging Pauw deze molen verkopen aan Jan Alting en is door Alting de vader van mevr. Cuperus, omstreeks 1920 afgebroken.

      Alleen is nu nog de plaats aanwezig waar de molen gestaan heeft. Ten zuiden van het oude muldershuis thans verbouwd en bewoond door G. Dorgelo en R. Doevendans. (Europaweg 173/175)

      Zowel de eerste als de tweede molen was een sieraad voor ons dorp en het spijt ons dat deze molens verdwenen zijn.

 

 

 

  

Juni 1972

 

In en om de molens van Schoonebeek. Schoonebeeker molens (II)

 Boerenmolen in het oosteind, zuivelfabriekjes.

 

Naast de molen, oorspronkelijk van de familie v. Aalst, werd er in het Oosteinde nog een windmolen gebouwd. Dit was geen stellingmolen, geen olie en pelmolen maar een zgn. walmolen. Deze molen was een boerenmolen. Een zevental landbouwers uit ons dorp hebben die molen opgericht. Niet alleen de molen maar ook een vrijstaande bakkerij en een woon en winkelhuis.

      Dit huis stond in de lengte ten noorden van de hoofdstraat op de plaats waar thans het woonhuis en café Smits is gevestigd met daarnaast het woonhuis bewoond door G. Lucas (Europaweg 38/40). Het scheen in die tijd gewoonte te zijn dat sommige boeren zelf samen een windmolen wilden bezitten. Misschien een verbeterde uitgave van hun rosmolens, die ze zelf in eigendom hadden.

 

      Toen de windmolen, bakkerij, woon en winkelhuis, café met daaraan verbonden een boerderijgedeelte klaar waren gingen de eigenaren dit complex verhuren.

De eerste huurder was Warmolt Scholte uit Schoonlo, gemeente Rolde. Hij kwam hier naar toe met zijn vrouw, een stiefzoon en stiefdochter. De stiefzoon Hendrik Piks was bakker. Scholte zelf was molenaar. Zijn vrouw en stiefdochter beheerden het café en de winkel. De stiefdochter Hendrikje Piks trouwde na verloop van tijd met Jan Sassen, boerenzoon, wiens vader één van de zeven was die de zg. Manniveense molen in eigendom hadden.

Deze Jan Sassen ging bij de familie Scholte inwonen en trachtte ook daar weer een boerderij in te richten.

      In de omgeving lag nogal heel wat land braak en Scholte die ook verstand van ontginning had, hielp zijn stiefzoon of liever gezegd zijn stiefschoonzoon aan land. Scholte was in die tijd de eerste die op dit nieuwe ontgonnen land compost gebruikte. Dit was iets nieuws, die zgn. stratendrek, voor onze Schoonebeeker boeren.

Scholte was een veelzijdig man, één van degenen die ook voor Schoonebeek inzagen dat er verandering moest komen op het gebied van de boterbereiding.

      Hij gaf ook mede de stoot er aan dat er op ons dorp een tweetal handkrachtfabriekjes werden gebouwd.

Een in ’t oosten op de plek waar nu Jan Elzing woont (Europaweg 44), en het andere in het koeland van wijlen Hrs. Poppen nu H.E. Ensink.

De nieuw op te richten vereniging kreeg de naam: N.V. Schoonebeeker maatschappij van zuivelfabrieken. Van deze N.V. was Scholte de 1e voorzitter.

      Hij heeft dan ook veel in ’t begin voor deze nieuwe vennootschap gedaan. De boter die in de beide fabriekjes bereid werd ging oorspronkelijk naar de firma Denneboom te Coevorden.

Deze Denneboom had in Coevorden een particuliere fabriek en hij was tevens boter-handelaar.

Scholte die als neringdoende voor zijn inkopen iedere maandag met de kleedwagen naar Coevorden ging, verrekende dan meteen de boter, die Denneboom ontvangen had in de achterliggende veertien dagen en bracht dan het geld voor de verkochte boter mee.

 

 

  

www.oud-schoonebeek.nl