Kroniek Schoonebeek - Uitzet en Bruiloft

Artikelindex

 

augustus 1971

 

Uitzet en bruiloft.

 

Keren we nu nog even weer terug naar de voorbereidingen van de huwelijken in de oude tijd. Er moest een z.g. uitzet ko­men, bestaande uit kleding en onderkleding voor de jonge man of vrouw voor hun gehele leven tot de lijkkleding toe en daarna was de kous nog niet af.

Het kabinet moest ook ruim voorzien worden van rollen lin­nen. Dat linnen werd niet gekocht maar zelf gesponnen en gebleekt. We zouden hier nog veel verder over kunnen uitweiden, maar gaan nu maar van zo'n trouwpartij vertellen. Wanneer de bruiloftsdag vastgesteld was werd een bruiloftnodiger rond gestuurd om de gasten te nodigen. In de oude tijd was zo iemand te herkennen aan de versiering aan zijn pet of een bloem of strik aan zijn handstok. Wanneer hij binnenkwam stak hij van wal door in dichtvorm de bruilofts-nodiging mee te delen. Heel vroeger waren zulke bruiloften groot, er kwamen heel wat gasten. Daarom moest de bruilofts­nodiger niet vergeten om de genodigde gasten te zeggen dat ze mes, lepel en vork mee moesten brengen. Voor zo'n brui­loft werd extra zorg besteed aan de bruilofts-wagen en volgwagens. Dat waren de z.g. linnenwagens, ook wel genoemd kleedwagens en door de kinderen bolderwagen.

      Het kleed moest eerst gewassen en de wagen gereinigd worden. Zo nodig kreeg de wagen nog een laagje verf.

Wanneer dit alles geregeld was en de bruiloftsdag was aangebroken kwamen de versierde paarden er voor. Ook de zweep van de koetsier kreeg een extra lintje en zo reed men dan naar de bruid of bruidegom die moest worden opgehaald. Dat gedeelte van de gasten kregen allemaal een fles jenever mee die in de binnenzak gestopt werd. Was men bij het huis van de bruid of bruidegom aangekomen dan was daar niets te zien, doodse stilte.....  totdat er één grote deur (baanderdeur) openging en er iemand uitkwam die verwonderd vroeg: "Wat moeten jullie hier?".

      Eén van de bruiloftsgasten ging dan op de disselboom staan en begon een gedicht voor te lezen en als hij aan het eind zei: "Ik ben met mijn woord aan het eind gekomen, laat ons daarom niet langer staan, maar gooi nu gauw Uw deuren open. En laat ons binnengaan". De deur kwam los en men reed naar binnen. De nieuw aangekomenen kwamen de wagens uit en het a.s. echtpaar kregen naast elkaar een plaats in de boerenkeuken, waaromheen de anderen plaats namen. Traktatie volgde en men bleef bijéén tot de tijd was aangebroken waarop naar het gemeentehuis werd gereden.

      De stoet was dan nog groter, want de bruiloftsgasten van de andere kant sloten zich in volgwagens aan. Nadat het huwelijk voltrokken was reed men naar de kerk. Er  is ook een tijd geweest in ons dorp dat wanneer zo'n jong paar op vrijdag ging trouwen, ze tot de zondag weer elk naar hun eigen huis gingen. Het huwelijk werd dan op de daaropvolgende zondag kerkelijk ingezegend. Op de avond van de bruiloftsdag werd het feest voortgezet. Natuurlijk waren ook bij zo'n bruiloft de buren met hun vrouwen ingeschakeld. Zij hadden de opdracht te zorgen dat al de bruiloftsgasten aan hun trekken kwamen en dat er voldoende spijs en drank aanwezig was. Vroeger had men in zo'n dorp vaak een vrouw die men vooraf ging raadplegen. Men vertelde haar:"Wij verwachten zoveel gasten”, dan kon zij precies zeggen hoeveel spijs en drank er moest zijn. Dat was nog eens een vrouw!!!

 

 

 

  

September 1971

 

Bruiloft, vlas, linnen.

 

Toen we het een vorige keer over onze vroegere bruiloftsviering­ hadden is het wel aardig om nog even nader in te gaan op dingen die bij zo'n gelegenheid voorkwamen. Zo was het o.a. een vast gebruik om de jong getrouwde bruidegom een versierde lange kalken pijp aan te bieden. 't Was zo'n lange Goudsche pijp, die vooraf met lintjes en strikjes versierd was. Of zo'n aanbieding nog betekenis had, kunnen we niet met zekerheid zeggen. Mis­schien was zo'n pijp als vredespijp voor het nieuwe dubbele gezin bedoeld.

      Ook valt nog op te merken, dat de naobers "de buren" ook weer werden ingeschakeld. De jeugd bij zo'n bruiloft aanwezig ging dan 's middags bij al de buren rond met wat onder de kurk, om zo de hele buurtschap deelgenoot van het bruiloftsfeest te ma­ken. Het ging dan ook in de hele buurtschap luidruchtig toe. Ook de vrouwen uit de buurt kregen heel kort na de huwelijksdag een uitnodiging om koffie te komen drinken, zoals dat heette.

 

Die vrouwen kregen dan de gelegenheid om alles wat de bruid als "uitzet" meegekregen had te bezien. De kabinetsdeuren kwamen open, men kon zo de daarin aanwezige kleding en ook de meege­brachte linnenstapels bezien. Vooral het linnen had de aandacht van de buurvrouwen. Hoe meer linnen er was, hoe deftiger was de uitzet. Ook was daarnaast het in heel vroegere tijden de ge­woonte dat het meubilair getoond werd. Vooral had dan het brui­loftsbed (pronkbed) de aandacht. We hebben al eerder even aan­geroerd dat er op zo'n bruiloft heel veel mensen aanwezig wa­ren. Ook is toen iets meegedeeld over de velerlei spijzen en dranken. Op de boterham tafel stonden platte borden met opgemaakte (gebloemde) eigen gekarnde boter. Was zo'n maaltijd achter de rug, dan was dat ook het afscheid van de bruiloft. De gasten staken voor ze weg gingen een zilveren muntstuk als fooi in die boter. Bepaald zindelijk kunnen we dat op 't ogenblik niet vinden, maar het was een steevast, oud gebruik.

      We hebben reeds eerder gezegd, dat in de oude boerengezinnen de bruiloften in de maand mei gehouden werden. Het voorjaarskoren en ook de aardappels waren gezaaid en gepoot en men had dan de meeste tijd om bruiloft te vieren. Over niet te lange tijd brak dan de hooi oogst aan en men had hulp voor het zomerwerk erbij en dat was in die tijd heel wat meer dan tegenwoordig.

      Men zaaide en oogstte vlas, de schapen werden geschoren, de wol verkocht, maar van de mooiste vachten werden enige voor eigen gebruik vast gehouden. Dus die laatste wol moest verwerkt worden, zodat na verloop van tijd, wanneer het winter was gewor­den, die wol gesponnen moest worden.

Hetzelfde gebeurde met het vlas. Was het getrokken en ter zijner tijd droog, dan werden er op de boerderij eerst de knotten, waar het lijnzaad in zat, afgehaald. Het vlas werd dan weer op­nieuw in busselen gebonden en naar een diepe plek (kolk) in het Schoonebekerdiep gereden. Men zorgde dan dat het onder water kwam te liggen. Het bleef dan een tijd in het water om te rotten d.w.z. de harde stengels door die rotting zachter te doen wor­den. Dacht men dat dit voldoende was dan werd het vlas weer opgehaald en gedroogd. In droge toestand ging men dan het vlas braken. Daardoor ging de bast van de stengels af. Men had dan schoon vlas, dat verder werd gesorteerd, het goede vlas voor linnen en het mindere werd b.v. vaak gebruikt om zakken van te maken. Dus na de gewone zomerwerkzaamheden in de gemengde bedrijven van toen, kwam er nog heel wat werk bij dat wij nu niet meer kennen. In enkele oude boerderijen kom je nog een vlasbraak tegen, maar veel zijn ze er niet meer.

Met het vorenstaande hebben we u nog lang niet alles van de wol en vlasbewerking verteld. In de winter werd er zodoende nog heel wat werk verzet, waar vooral de vrouwen hun portie wel van kregen. Maar daarover bij leven en welzijn een vol­gende keer.

 

 

www.oud-schoonebeek.nl