Kroniek Schoonebeek - Iemkerij

Artikelindex

 

 

december 1975

 

De iemkerij (I)

 

Schoonebeek bestond vroeger van west naar oost uit de volgende kernen: Westeind, Kerkeind, Middendorp en Oosteind.

Alleen het Middendorp heeft z'n naam behouden, Westeind en Oosteind heten thans Westersebos en Oostersebos.

      De naam Kerkeind leeft alleen nog bij de ouderen onder ons voort, onzerzijds zouden wij het op prijs stellen als deze naam weer in ere werd hersteld.

In al deze delen van ons dorp komt men nog namen tegen als “Iemengoorn" “Iemenschoer” die er op wijzen dat men vroeger bij bijna iedere oude boerderij een bijenstal (Iemenschoer) had.

Hieruit kan men concluderen dat op praktisch iedere boerderij bijen (iemen) werden gehouden, dit komt thans maar sporadisch meer voor. De vraag rijst; waarom was dat vroeger zo?

      Daar was meer dan een reden voor; de gezinnen zelf waren anders en veel meer samengesteld dan thans.

Tegenwoordig zijn veel bedrijven wat men noemt “eenmansbedrijven” dit moet men dan ook letterlijk opvatten.

      Vroeger waren de gezinnen groter, niet alleen dat de oude boer met zoon of schoonzoon samenwoonde, daarnaast waren er vaak een oom en tante (resp. broer en zuster van de oude boer) die ongetrouwd waren en ook tot het gezin behoorden.

Het heette dan ook dat deze een stee (plaats) aan de heerd (haard) hadden. Deze oude oom bemoeide zich vaak met de bijenteelt, dat was zijn werk, hij was de baas in de "iemengoorn".

Zo'n “iemengoorn” was dicht bij de boerderij gelegen en diende als appelhof, eveneens was hier vaak een ovenhuis met bakoven gebouwd; dit was het geval als er geen "Spiker" bij de boerderij aanwezig was. Ook kon men meestal de "iemenschoer” in de omgeving van de goorn aantreffen.

      Deze goorn was een stuk land, niet al te groot, dat een extra bemesting kreeg voor de tuinvruchten, bonen en erwten, die er verbouwd werden. Van ouds gold dit als een van de beste stukken land van de boerderij, de bemesting was dusdanig dat er tarwe, vroeger "witte weit" genoemd, en gerst verbouwd werden.

De appelhof resp. goorn leenden zich uitstekend voor het oprichten van een bijenstal; men treft deze op enkele plaatsen nog aan als bouwval, heel vaak herinnerd de naam alleen nog, wat er in het verleden heeft gestaan. Op genoemde plek had de inwonende oom z'n bijenteelt bedrijf  (iemkerij)

    Met deze inleiding hebben wij getracht aan te tonen dat de bijenteelt een wezenlijk onderdeel van de vroegere boerenbedrijven was.

 

 

 

 

januari 1976

 

De iemkerij (II) “De bijenteelt”

 

De bijenteelt gaf het hele jaar door werk aan genoemd gezinslid, die zich dan ook vaak alleen met dit werk bemoeide en daardoor een grote vakkennis kreeg.

In de herfst wanneer het honing win seizoen voorbij was, zocht de iemker z'n stabijenvolk uit, deze overwinterden dan in de iemenschoer, die meestal met de opening naar het oosten stond, dit in verband met de weersgesteldheid. (de meeste regen komt uit het westen en zuidwesten)

      Deze bijenvolken hadden ook in de winter hun verzorging nodig, er moest voor worden gezorgd dat de vluchtgaten geheel of gedeeltelijk dicht gemaakt waren, de iemker moest er opletten dat er voldoende voer aanwezig was.

Was de in de korf achtergelaten honing opgesoupeerd, dan werd er bijgevoerd met oude honing en suiker; in later tijd toen de accijns op suiker hoger werd was er voor de iemker accijnsvrije suiker te koop.

Deze suiker was voor menselijke consumptie ongeschikt, en vermengd met kleurstof.

       De wintertijd werd eveneens gebruikt voor het vlechten van bijenkorven (iemshuuv) en opzetstukken; deze opzetstukken werden gebruikt voor uitbreiding, wanneer de behuizing voor de bijen te klein werd, een groot verschil met thans, nu er gebruik gemaakt wordt van bijenkasten met kunstraat, vroeger zorgden de bijen eerst voor raat (reut) en dan voor de honing.

Als in het voorjaar de weersomstandigheden gunstig waren en het bijenvolk zich in de korf zodanig vermenigvuldigd had, moest de iemker letten op de zwerm.

     De eerste zwerm werd de bromzwerm genoemd.

Wij memoreerden reeds dat er in de winter nieuwe korven gevlochten werden, deze werden gebruikt om de zwermen aan nieuwe behuizing te helpen.

     De iemker kon aan het bijzondere geluid in de korf horen, dat er een zwerm in aantocht was, dan was het opletten dat deze zwerm er niet vandoor ging, maar zich in de naaste omgeving aan een boomstam vast zette. Dan kwam er voor de iemker de taak er voor te zorgen deze zwerm in de korf te krijgen. Was de koningin in de korf en een gedeelte van de zwerm, dan  kwam de rest vanzelf.

    Het proces van afzwermen herhaalde zich nog 2 keer zodat er uit 1 korf (bijenvolk) 4 ontstonden, n.l. door: 1. bromzwerm, 2. middenzwerm, 3.           achterlaadje (meestal klein zwermpje)

     In de loop van de zomer werden de bijenvolken van de iemenschoer bij de boerderij verplaatst naar de boekweit en heidevelden. Ook daar waren, zij het vaak geïmproviseerde iemenschoeren aanwezig.

      Was het honing seizoen achter de rug dan werden de bijen uit de zwaarste korven gedood met zwavel, bij een goed honingjaar kwam het voor dat een korf met inhoud 100 pond woog, vandaar dat de reeds eerder genoemde opzetstukken moesten worden gebruikt.

      Een volgende keer hopen wij U iets te vertellen over het gebruik van honing en bijenwas.

 

 

 april 1976

 

De iemkerij (III) (slot)

 

In het januari nummer werd tot slot vermeld dat er korven waren met een inhoud van 100 pond honing. Een gedeelte van deze honing werd als raathoning bewaard (dit waren de beste stukken). Dit bewaren moest met zorg gebeuren, niet te warm i.v.m. versuikeren.

      De mooiste honing kwam van de z.g. midden zwerm.

Het grootste gedeelte van de honing werd geperst, de grote bijenhouders hadden zelf een pers, waarvan ook degene gebruik kon maken die hiervan niet in het bezit waren.

      De wasbuilen van paardenhaar, werden zelf gemaakt.

Bij het honingpersen hielpen buren en familieleden, de honing werd in de wasbuilen gedaan, voor verwarmd en vervolgens uitgeperst; deze honing werd deels verkocht en deels bewaard in keulschepotten en als lekkernij geconsumeerd. Ook diende het als medicijn.

      Bij de honing onderscheidde men naast raat en pershoning ook nog de z.g. "mee" dit was dun vloeibare honing, van minder goede kwaliteit.

      In de wasbuil bleef de was achter (vandaar de naam wasbuil). Deze was werd gebruikt voor kaarsen (waskaarsen) en soms ook als ingrediënt voor wrijfwas. In streken waar een klooster was werd de was hieraan geleverd voor kaarsen in de kerk.

      Van de vroegere bijenhouderij is helaas niet veel meer over, ook de heide en de boekweit zijn verdreven en door de komst van de tuinders is er ook "vlucht beperking".

      Het bijenkorven maken behoort tot de uitstervende beroepen en wordt nog als oude ambachten gedemonstreerd.

      Men maakt gebruik van kasten, eveneens wordt het de bijen gemakkelijk gemaakt door het z.g. kunstraat. Ook hier is, zoals op velerlei gebied, ingegrepen in de natuur.

                                                                                                         

  

 

www.oud-schoonebeek.nl