Kroniek Schoonebeek

 

 

September 1964

 

SCHOONEBEKER KRONIEK

Met groot genoegen kondigen wij de volgende rubriek bij u aan.  De brs D. Anholts, en G.J.Wilms Sr.  en van Hervormde zijde Vrieling en Ybema verklaarden zich bereid de nodige aandacht te willen schenken aan een Schoonebeker Kroniek. Hun namen zeggen u ongetwijfeld  al dat hier met kennis van zaken gesproken zal worden. Indien mogelijk zijn eventuele suggesties van lezers ook van harte welkom. Hier volgt dan de eerste aflevering van de hand van br D.Anholts. Eigenlijk moest zijn handschrift ook afgedrukt kunnen worden, zo bijzonder fraai als het is. Een lust voor het oog.

  

September 1964 

Het ontstaan van Schoonebeek.

Komdorp later oorsprong dan esdorpen. "Olde-Beke" Schooneb. diep.

Westeind, Oosteind, Middendorp. Grondeigendom Bisschop v. Utrecht.

 

Nu ons kerkblad gaat verschijnen of is het misschien een wat groot woord (moeten we misschien heel nederig “Kerkblaadje”schrijven) hopen we op verzoek dit rubriekje te verzorgen.

“Alle begin is moeilijk” volgens een oud spreekwoordelijk gezegde. Dat is het ook voor ons. Allereerst al omdat we geen beroepsschrijvers zijn. Vervolgens moeten we trachten toch een beetje lijn te krijgen in de stof die we U hopen voor te zetten. Het is n.l. onze bedoeling U iets te vertellen van de kerkelijke en maatschappelijke historie van Schoonebeek. Vind U het ook niet jammer dat zoveel van de oude historie verloren gaat in de loop der tijden?

Welnu, een zwakke poging willen wij wagen om iets daarvan te behouden.

Misschien zijn de jongeren onder ons van mening dat het verleden heeft afgedaan. Dat is voorbij en komt nooit meer terug. We hebben met het heden te maken.

Dat is ook zo, maar de oud Hollandse dichter Bilderdijk schreef:

       “In ’t verleden ligt het heden

        In het nu wat worden zal”.                       

Het heden is niet los te denken van het verleden. De toekomst niet van het heden. Zou het niet goed zijn om eens een duik te nemen in de vreugden, moeiten en zorgen van onze voorgeslachten. Om te zien wat zij gepresteerd hebben met de geringe middelen, die hen ten dienste stonden, het zou geen kwaad kunnen.  

Van de eerste kolonisten zijn geen nadere bijzonderheden bekend. Als vast kan worden aangenomen dat de oorsprong van later datum is dan de Drentse esdorpen. Dat blijkt ook wel uit de bodemgesteldheid. Drenthe in het midden hoog en aan de kanten laag was in vroeger tijden, wat de kanten betreft moerassig. Schoonebeek is ook een groot moeras geweest, vooral aan weerszijden van het Schoonebeker diep.

Bij ontginningen en nog vaker bij herontginningen, diep ploegen en turf graven zijn dan ook hout en boomstammen in de grond aangetroffen. Ook de aanleg van ons dorp zelf verschilt van de esdorpen in onze provincie. Had men daar nederzettingen bij elkaar en buiten die nederzettingen een gezamenlijke es, hier was de aanleg van den beginne anders.  

Oudheidkundigen beweren dan ook dat de Kantdorpen (kampdorpen) van latere oorsprong zijn dan de es-dorpen. Kon men in de laatste direct tot ontginning overgaan, in de kantdorpen moest eerst door sloten en greppels voor afwatering worden gezorgd. Een afwatering in de richting van het Schoonebekerdiep, zoals dit stroompje later is genoemd.

Omstreeks 1300 noemde men dit dorp (diep) de “Olde Beke”.

We hopen hier bij het uitwerken van het kerkelijk leven nog wel nader op terug te komen. Het vroegere Oud-Schoonebeek was er het eerst. Thans is het Schoonebeek volgens een regeling van latere datum. Nieuw Schoonebeek bestond toen nog niet. Dit is van nog latere datum.

In ons dorp hebben we verschillende nederzettingen gehad, zoals het Westeinde (later Lindhorst Homanlaan nu Westersebos) verder het deel dat wij nu noemen Kerkeinde, het Middendorp en het Oosteinde (later de Vos van Steenwijklaan nu Oostersebos).

Algemeen wordt aangenomen dat de kolonisatie van uit het Westeinde plaats vond. De grond was oorspronkelijk eigendom van de Bisschop van Utrecht. Van hem kregen dan ook de eerste kolonisten hun grond in pacht.

  

October 1964

Het ontstaan van Schoonebeek.

Pacht natura. afwatering sloten, greppels, akkers en kampen.

 

In de eerste bijdrage aan ons orgaan van de vorige maand zijn een paar storende fouten geslopen.

 1e Omstreeks 1300 noemde men dit dorp de “Olde Beke”. Lees voor dorp diep.

 2e worden de dorpen van gelijke aanleg als Schoonebeek niet kant maar Kampdorpen genoemd.

We eindigden de vorige keer dat de eerste kolonisten hun grond in pacht kregen van de Bisschop van Utrecht.  Deze pacht was echter geen pacht in geld maar in natura. Voordat men wat verbouwde, er was dus nog geen bouwland, moest er (we hebben dat al eerder geschreven) heel wat werk worden verzet. Sloten moesten worden gegraven voor afwatering en drooglegging. Daarom is men toen dan ook op de hogere gedeelten, gelegen ten noorden van de primitieve woningen, begonnen met bouwland aan te leggen. Want er moest meer gebeuren dan perceels sloten graven. Het land werd op akkers gelegd Zuid-Noord en tussen de akkers werden greppels gegraven. Zogenaamde kampen van plusminus  100 m. lang.

Niet alleen waren hier lengtegreppels nodig, maar tussen de verschillende kampen ook kopgreppels (Kopgruppen.) De akkers hadden dus een lengte van 100 meter en een breedte van 5 a 6 meter. Later toen het droger werd en de afwatering wat beter was, kon een lengte greppel worden dicht gemaakt en toen werden het dubbele akkers (dubbelakkers).

Waren deze akkers dus van sloten en greppels voorzien, dan kwam de hak er bij te pas om de grond om te halen. Later toen men paardentractie had, werd er geploegd. Om nu tot het einde van de akker te kunnen doorploegen werden er “bouwertoenen” over de kopgruppen gelegd, waar de boer met zijn paard over kon. Deze bouwertoenen werden ’s winters gemaakt. De lengte hiervan was 2 a 2½ meter en zij waren ongeveer 1 meter breed. Eerst werden gekloofde essenstaken even in de grond vast gemaakt en tussen die staken werd in de lengte wilgen rijshout gevlochten. De bouwertoenen hebben wel enkele eeuwen dienst gedaan, maar zijn nu verdwenen door de nieuwe afwatering als ook de meeste greppels. 

  

November 1964

 Schapen en rundvee, bemesting, roggepacht voor bisschop-pastoor alleenrecht vissen op Olde-Beke, eendenkooi eieren rapen

 

We hebben de laatste keer gezien, dat door wat betere afwatering de bouwertoenen en verschillende greppels konden verdwijnen. Het is zeer waarschijnlijk, dat van deze eerste landbouwgronden ook het bovenste laagje werd verbrand. Toen de kolonist voorts in het bezit kwam van schapen en rundvee kon hij stalmest bemesting toepassen. De vrucht die geoogst werd was in hoofdzaak rogge. Vandaar dan ook dat de eerste pacht, die opgebracht moest worden aan de Bisschop, bestond uit rogge-pacht. Zoals op meerdere plaatsen in Drenthe werd in ieder dorp een verzamelaar van die pacht aangewezen. Oude mensen in ons dorp spreken dan ook nog van de bisschopsmeier. Naar alle waarschijnlijkheid was dit de man, die de pacht verzamelde en als dat geschied was, moest zorgen dat die pacht-rogge kwam aan het adres dat hem van hogerhand werd aangewezen. Dit alles geschiedde voordat Schoonebeek nog een Kerk bezat.

Spoedig echter, toen de kolonisatie zich uitbreidde, werd van hogerhand geordineerd dat hier een kerk (kapel) moest komen. De pachten die eerder naar andere adressen gingen, werden nu voortaan geschonken aan de hier opgerichte kerk. Dat dit oprichten van een kerkdorp al heel gauw is geschied na de eerste kolonisatie, blijkt hieruit dat de pachten van de Schoonebeker boeren in het begin nog niet voldoende waren om de kerk in stand te houden. Daarom kregen de boeren uit Dalerveen en Den Hool opdracht om hun pacht aan Schoonebeek af te staan. Voor het eerst is er hier van een pastoor sprake in het jaar 1300. Uit oude archiefstukken is men gewaar geworden dat deze pastoor een klacht heeft ingediend bij zijn kerkelijke autoriteit over visstroperijen in de “Olde Beke” door de Emmelkampers (Emlichheimers). Die pastoor had n.l. het alleenrecht van vissen in de “Olde Beke” (Schoonebekerdiep).

Daarnaast was er ook voor de pastoor een eendenkooi, zuidwaarts van het Spanjaardspad en het oude kerkje.

Men beweert zelfs dat er nog een 2e eendenkooi is geweest in de omgeving van de Kosterijweg.

Ja ja, die goede man moest toch ook bestaan. 

  

December 1964

 Omstreeks 1300 Schoonebeek moeras. Slag bij Ane 1227, stichten klooster, uithoven.

 

We eindigden de vorige keer met het viswater en de eendenkooi van de eerste pastoor van Schoonebeek.

Als U een beetje fantasie kunt opbrengen en u zag sommige van onze dominees vissen in de “Olde Beke” en eendeneieren rapen daar waar nu de nieuwbouw  (Kooikerlaan en Flintenpad) in volle gang is (wat zou dat toch een pracht ontspanning voor hen zijn) dan kunt u zich enigszins indenken hoe moerassig het omstreeks 1300 nog in Schoonebeek was. Naar onze mening valt de eerste drooglegging van het Schoonebeker gebied samen met het oprichten, of opgerichte klooster ten oosten van Coevorden. Men denkt tenminste wel dat het daarmee in verband staat. Velen Uwer hebben zeker in de afgelopen zomer nog wel eens gehoord of gelezen van de slag bij Ane (Gem. Gramsbergen) in het jaar 1227. De Bisschop van Utrecht trok met zijn leger ten strijde tegen de Drenten, die aangevoerd werden door Rudof van Coevorden. De Bisschop werd verslagen en verloor hierbij het leven, terwijl vele van zijn krijgsmakkers in de Mommerieten (moeraskuilen) werden gejaagd en afgemaakt. De Bisschop die hem opvolgde, liet het er niet bij zitten en trok weer ten strijde tegen Rudolf van Coevorden met zijn Drenten en Bentheimers. En nu verloor Rudolf van Coevorden de strijd.

Volgens een oude mondelinge overlevering moet ook een boer van ’t Vlieghuis de strijd hebben meegemaakt. Op een zeker moment kwam er een kettingkogel op hem af vliegen.

Hij schudde zijn vuist ertegen en riep “doe donder ik zal dij”. Hij wilde met zijn vuist het ding naar beneden slaan maar toen het dicht bij hem was bukte hij zich toch maar wijselijk. Toen de ketting rakelings over hem vloog en hij daarna achterom keek, lagen er drie man ter aarde.

Of het inderdaad waar gebeurd is…. ?  Wie zal het zeggen?

Rudolf van Coevorden moest zich opnieuw aan de Bisschop onderwerpen en hem werd opgelegd een klooster te stichten tussen Coevorden en Schoonebeek. Of dit klooster in deze streek geheel gereed gekomen is wordt wel betwijfeld. Wel werden vanuit het klooster Ter Apel monniken hierheen gezonden als “kwartiermakers” voor het op te richten klooster. Zij hebben hun best gedaan om de grond voor het klooster bouwrijp te maken. Dit is hen ook gelukt maar zij hadden daarbij veel last van het water.

Het lijkt ons toe dat de Schoonebeker boeren, wat de aanleg en het bouwrijp maken van de gronden betreft, aan de monniken goede leermeesters hebben gehad. 

 

januari 1965

 

Het ontstaan van Schoonebeek.

Bewoners Padehuis (Padhuis) recht van malen, verplaatsen klooster.

 

Het is bekend dat de monniken aan de Schoonebeker boeren hebben voorgesteld om de stroom (het Schoonebekerdiep) te verbeteren om zo een betere afwatering te krijgen. De boeren zijn hierop echter niet ingegaan. Wel hebben de monniken succes met hun ontginningen gehad. Bekend is dat er een overeenkomst tot stand kwam tussen de kloosterlingen en de bewoners van het huis ten Padey (Padhuis), waarin het ging over het recht van overwegen over beide gronden. De kloosterlingen wisten echter ook nog bij de Padhuizers te bedingen vrij recht van malen o.a. in de watermolen, die de bewoners van Padhuis hadden aan de stroom. Dit een en ander wijst duidelijk in de richting dat de eerste bewoners van Schoonebeek en omgeving wel wat van die kloosterbroeders hebben kunnen leren. Zij zijn hier echter niet lang geweest. Het was hun hier te nat. Het klooster of datgene wat hier als voorloper van het klooster geweest is, werd afgebroken, op wagens geladen en gebracht naar het gehucht bij Rolde het tegenwoordige Assen. Na de reformatie werden de gebouwen van het klooster in Assen tot zetel van het bestuur van de landschap Drenthe ingericht en doet heden ten dage, alhoewel enige keren verbouwd, nog dienst als museum. Enkele stukken muur en een gedeelte van de kloostergracht zijn er nu nog.

Na de verdwijning van het klooster en later ook van de kloosterlingen blijkt het toch, dat zij hier heel wat verbeteringen hebben aangebracht. De grond door hen in gebruik genomen en gecultiveerd bleef eerst nog hun eigendom. Later is deze grond aan de bewoners in erfpacht gegeven. Het is bekend dat de Luchie’s of Lintjeshoeve de grond in erfpacht hadden. Ze moesten de pacht eerst betalen aan het klooster te Assen. Later aan het landschap Drenthe. Dit duurde tot omstreeks 1800. Ruim 1½ eeuw geleden is die erfpacht afgekocht. Tot meerder bewijs, dat het klooster de gronden aan zich hield en dus ook de opbrengsten voor het klooster verlangde, moge het volgende dienen. Uit de oude kerkelijke registers van Schoonebeek blijkt dat de Pad en Vlieghuizers, voor Schoonebeek een kerkdorp was, lidmaten waren van de kerk van Emmelkamp. Later zijn zij naar Schoonebeek gegaan. Toen zij zich bij Schoonebeek voegden, hebben ze niet als de Schoonebekers zelf, persoonlijke kerkepachten betaald, maar ze droegen jaarlijks een gezamenlijk bedrag, dat overeengekomen was met de kerk van Schoonebeek af. We vinden het altijd nog jammer dat de twee families ten Padhuis en ten Vlieghuis verdwenen zijn.

De laatste door uitsterving in de mannelijke linie, de eerste doordat ze hun mooie naam te Padhuis in de na-Napoleontische tijd veranderden in Pat.

Van de eerste dominees gesproken: de lijst van predikanten die hier in de Ned. Herv. Kerk gestaan hebben van de Reformatie af is bekend. Te oordelen naar de namen en ook vaak de plaatsen waar ze vandaan kwamen hebben de meesten zeer zeker hun opleiding gekregen aan de door Graaf Arnold van Bentheim gestichte Hogeschool te Burg Steinfurt, of van de Hogeschool te Lingen. Deze laatste opleidingsschool is van jongere datum dan de eerste. Ze is door Prins Willem III, die toen ook Graaf van Lingen was, gesticht. De gebouwen in Lingen en Burg Steinfurt zijn nog aanwezig.   

 

maart 1965 

Het ontstaan van Schoonebeek.

Schoonebeek kerkdorp. hogeschool Burg-Steinfurt, Lingen, reformatie, wederdopers.

 

De Prins belastte Professor Pontanus met de opleiding. Later is deze professor overgegaan naar de Hogeschool in Harderwijk.

Ook een bekende professor uit Lingen uit die tijd was Wendly. Een van de Schoonebeker  dominees was ook een Wendly.

Toen in de Reformatie tijd Willem Lodewijk de Stadhouder van Friesland, ook Heer van Drenthe was, heeft hij in het laatst van de 80-jarige oorlog de reformatie in onze provincie onder dwang bevolen.

Gevolg daarvan was, dat de Drentse pastoors te kiezen hadden tussen: afstand doen en verdwijnen uit hun parochie of zich onderwerpen aan een examen.

Het is bekend, dat 2 pastoors zich voor dit examen hebben aangemeld en wel die van Schoonebeek en die van Gasselte.

De ex-pastoor hier is dan ook een drietal jaren hier de eerste dominee geweest.

Toen scheen het hem niet langer te bevallen, hij is vertrokken over de grens.

Zijn opvolger bleek, nadat hij hier enige tijd geweest was, manslag te hebben gepleegd. Hij werd daardoor ontslagen.

Van de tijd tussen 1300 en 1500 is er over Schoonebeek heel weinig bekend.

Begin 1500 schijnt het dat ook deze streken met de wederdoperij besmet zijn geweest.

Nadat aan het “Koninkrijk Sion” van Jan van Leijden in Munster een einde was gekomen, schijnt een van zijn hoofdvolgelingen aan de moorden in Munster ontkomen te zijn. Na wat omzwervingen verborg hij zich in de Groot Ringer Wuesten, n.l. in de Goormans Boo (spreek uit boe.)

Toen hij daar, temidden van de moerassen, zich veilig begon te voelen, hield hij daar op gezette tijden ’s avonds bij lichte maan bijeenkomsten, die door mensen uit de omgeving druk bezocht werden. Door zijn prediking van de wederdoperij kwam het zover dat velen uit de omgeving zich bij de sekte voegden.

Hij ging zover dat hij een twaalftal z.g. apostelen benoemde.

Deze kregen opdracht naar Nederland te gaan en daar de wederdoperij weer te verkondigen.

Het is bekend dat een tweetal van deze twaalf z.g. apostelen naar Deventer zijn gegaan. Ze hebben daar gepredikt maar ze zijn tenslotte gesnapt. Ze zijn in Deventer gemarteld en ter dood gebracht. In het archief van de stad Deventer zijn over deze beide mannen nog heel wat bijzonderheden te vinden.

Ze worden er met name genoemd als afkomstig uit Emmelkamp. De moord schijnt voor sommige mensen uit Emmelkamp aanleiding te zijn geweest om uit wraak Roomse kerken, afgelegen kastelen en kasteeltjes enz. te plunderen en te verbranden.

In de geschiedenis worden ze als de moord branders of tewel “Die frommen Kinder vonn Emmelkamp” aangeduid.

Wanneer de moordbranders uit kerken of andere huizen kerkzilver en andere zilveren voorwerpen hadden geroofd lieten zij dit in Deventer, welke stad toen een eigen muntrecht had, smelten en in Deventer geld omzetten. 

Ook blijkt bij het naslaan van het straks genoemde Deventer archief, dat verschillende namen, die in verband met de marteling van de twee apostelen in Deventer genoemd worden en die verdacht werden van wederdoperij, uit Emmelkamp afkomstig zijn. Deze namen zijn nog te vinden, maar de dragers zijn bij de latere Reformatie in de Graafschap Bentheim allemaal de Calvinistische beginselen toegedaan.

Enkele uitzonderingen daargelaten is dan ook de sekte der wederdopers geheel verdwenen.

 

  

 

April 1965

 

Het ontstaan van Schoonebeek.

De Booën en Boerderijen.(1)

Booën, marke, huizen halle-type, muren vlechtwerk klei.

 

Eindigden we de vorige keer bij de volgelingen van Jan van Leijden, de wederdopers van wie we vertelden dat ze hier in de buurt geweest waren, n.l. bij de Groot Ringer Booën.

Deze Booën dateren in ieder geval uit de 16e eeuw. Wat waren eigenlijk die Booën?

Bij de later tot stand gekomen grensscheiding waren deze booën ook aanwezig aan de Nederlandse zijde van de grens, n.l. de marke van Schoonebeek.

Voor de aanleg van het kampdorp Schoonebeek kwam het bij voortgaande kolonisatie voor, dat in ieder geval aan de noordzijde van de gestichte boerenbedrijven, de scheiding of verdeling van de gronden zich had voltrokken.

De bedrijfsgebouwen in verschillende buurten, ook wel kluften genoemd, denk maar aan het Westeinde, Oosteinde enz., waren oorspronkelijk zeer eenvoudig en primitief.

Ze waren van het Saksische halle type. Van binnen was het een grote ruimte, tussen het woongedeelte en stalgedeelte (de deel) bestond oorspronkelijk geheel geen afsluiting. Fundamenten groef men niet, de gebinten droegen de kap. Planken gevels (die men tegenwoordig veel ziet) waren er niet. Voor deze had men op weerseinden van het huis enigszins schuin toelopende overstekgevels. Deze gevels werden, evenals de gehele kap, met stro, heide of zoals later met riet bedekt.

Waar de buiten kant van het huis moest komen begon men met een eiken grondhout te leggen en daarop plaatste men op zekere afstanden essen stijlen, waartussen wilgen vlechtwerk. Daarna werden deze muren, die wat het woongedeelte betrof, hoger waren dan die van het stalgedeelte, van binnen en van buiten met kleileem aangesmeerd. Deze klei of dit leem kwam meest uit de buurt van de Ellenbeek. Vandaar dat de later daar ontstane buurt op oude kaarten het kuilenveen heet (thans Koelveen).

Ook is er nog een stuk land in die omgeving dat thans de naam draagt van “De Kleikoelen”.

In de hogere en lagere leemmuren waren openingen gelaten voor ramen met oorspronkelijk in lood gevatte ruitjes. Verder had men 2 zijdeuren, een achter deur,  de nodige staldeuren en de baander of baansdeur. 

De vloer in de hele ruimte was ook van aangestampte leem, met uitzondering van de stalruimte en de rakelkolk oftewel het rakelgat (een wat lagere ruimte midden in het woongedeelte waar vuur werd aangelegd). Een schoorsteen was er niet; de rook moest zich zelf redden.

Gestookt werd met turf en hullen. Ter beveiliging van het vuur kwam er in ieder geval des nachts een domper op.

Bedsteden, slaapgelegenheden, waren er oorspronkelijk aan iedere kant, één bij de zijdeuren en verder achter bij de noordwand, want dit is ook een eigenaardigheid, die verband houdt met de kampdorpen, dat het woongedeelte van de oorspronkelijke boerderijen het noordelijk deel van het gebouw vormden. Dat vond zijn oorsprong hierin: het rundvee moest in de weidetijd dagelijks naar de weide, gelegen ten zuiden van de boerderij. Het vee kwam natuurlijk iedere nacht weer op stal. Op stal werd het vee bijgevoerd en zo kreeg men op deze manier stalmest, die in die tijd onontbeerlijk was. De akkergrond, we hebben over de aanleg al eerder gesproken, lag aan de noordzijde van het huis.

Iedere boer een opstrekkend deel, maar de weidegrond wordt tezamen, in ieder geval clubs gewijze, gebruikt. Dit wijst er op dat deze weidegronden ook oorspronkelijk gemeenschappelijk bezit zijn geweest.  

 

 

  

Mei 1965

 

De Booën en Boerderijen (II) 

Markebezit, Twist nu Nw-Schoonebeek, 1750 grensscheiding, veestalling,   boo de belt en heuvink. 

Men zou dit dus ook markebezit kunnen noemen. Volledig markebezit hadden de Schoonebeker boeren direct al oostwaarts van de laatste boerderij in het Oosteinde. Dit gebied, deze marke, strekte zich 1 a 1½ uur lang in oostelijke richting uit. Men wist oorspronkelijk niet waar de markebezittingen van de Schoonebekers in oostelijke richting eindigden en waar die van de Duitse dorpen Rühle en Hesepe begonnen. Voor het eerst wordt omstreeks 1750 van een provisionele grensafbakening tussen Munsterland en Schoonebeek gesproken.

Er is over de grens veel getwist, vandaar de naam even over de grens: Ruhlertwist en Hesepertwist.

Uit archiefgegevens te Assen blijkt dat dit gehele gebied, vanaf het Oosteinde tot de Duitse dorpjes, zelfs in 1809 nog de naam “De Twist” droeg. In dit Markegebied zijn als een soort uithoven van de Schoonebeker boerderijen de z.g. booën ontstaan. Deze booën lagen over het hele Nieuw Schoonebeek verspreid. Oorspronkelijk was het aantal booën even groot als er volle waardelen (boerderijen) in Schoonebeek aanwezig waren.

Tot goed begrip van deze zaak willen we nog even wijzen op dit gezamenlijk onverdeeld bezit. Naast de eigengeërfde boeren bezat ook de kerk van Schoonebeek een vol waardeel.

Uitzondering op dit gemeenschappelijk bezit maakten de booën. In overleg of naar eigen inzicht zocht men een geschikte plaats voor de Boo.

Men richtte op die plek een primitief gebouwtje op dat boo heet. Ook van het Halle type, maar veel kleiner en smaller, maar toch zo groot, dat er zo’n 30 stuks jongvee in kon worden geplaatst. De jongbeesten stonden dan in 2 rijen door de boo met de koppen naar de kant en een pad van 1½  tot 2 meter tussen de rijen in. Aan de voorzijde naast de zijdeur, maar zonder afscheiding, was een woon en kookgelegenheid voor de verzorger van het jongvee, de booheer genaamd, die in de zijwand van dit gebouwtje ook een slaapstee had. Naast de boo stond een hooischuur (booschuur).

Het langwerpig vierkant stukje grond, dat toegang gaf tot de boo, heette “De Belt”. Deze Belt omringt door flinke sloten, was aan de ene zijde door een hek afgesloten van de booheuvink (het weide gebied) en aan de andere zijde door het gebouwtje, de boo zelf. Dit stukje grond, (de Belt) stelde de booheer in staat het jongvee te verzamelen en in te sluiten. Rondom de boo plus booschuur lag cirkelvormig het boo-meuchien, dat door de z.g. meuchie’s sloot van de grote gemeenschappelijke weiden gescheiden was. De aarde uit deze sloot werd als een wal rondom aan de buitenzijde opgeworpen. Daarmee bereikte men dat bij hoge water standen dit “Meuchie”niet kon overstromen.

Het jongvee van de boeren uit ons dorp ging zo gauw als ze goed weiden geleerd hadden, naar de boo en werden daar door de booheer verzorgd. ’s Zomers ging dit vee naar buiten, maar werd vroeg in de herfst ’s nachts opgestald. Wel ging het ook in de winter (met uitzondering van dikke sneeuw) alle dagen, niet naar de groenlanden aan het Schoonebekerdiep, maar meer noordelijk het veen in. Heide en bente was dan hun voer en als ze dan ’s avonds via de belt weer opgestald werden lag een portie hooi klaar. Van koeien melken kwam niet zo heel veel terecht vroeger. U kent allen nog wel het rijmpje: in Odoorn melkt men zeven koeien in een ramshoorn. Welnu, zo was het vroeger, de VEEFOKKERIJ  was nummer een. Daarom werden alle kalveren aangehouden, ook de stierkalveren. Deze laatsten werden op jonge leeftijd gecastreerd en werden op 1½ jarige leeftijd, soms ook ouder, verkocht.

 

  

september 1965

 

De Booën en Boerderijen (III) 

Mesten van ossen verkoop naar Duitsland, ossendiek, booheer.

 

We eindigden de laatste keer dat de veefokkerij het hoofddoel was vroeger en niet de melkwinning. De ossen die op 1½ a 2 jarige leeftijd werden verkocht gingen naar de vetweiderijen. Vaste opkopers kwamen hier jaarlijks deze ossen kopen voor goede prijzen, want ze hadden gezond voer, hooi en heide en natuurgrassen in de zomer gehad. Ze stonden bekend van prima te willen groeien. Ze werden na verkoop in grote koppels soms heel naar Bremen gedreven. Dat was even een tippeltje. We nemen ons petje af als er bij de boortoren wandeltocht 40 km. wordt afgelegd. 

Evenwel er is toch maar niets nieuws onder de zon, want naar Bremen met een koppel ossen is ook niet in de buurt. Een van de voorzaten van de familie Wilms heeft zelfs ook een keer deze tocht meegemaakt. Ja, dan kon je van alles meemaken op zo’n reis. Toen zij eens door een stad kwamen bleef een os voor een winkel staan. Of het dier last had van levensmoeheid of dat het aan de andere kant van het glas een soortgenoot meende te ontdekken, wie zal het zeggen. Ze sprong pardoes door de ruit naar binnen. “Wat nu?” riepen de drijvers naar de voorman. Deze riep: “Doordrijven, laat die os maar os”. Toen ze buiten de stad waren commandeerde de voorman: houd ze nu maar wat bij mekaar en wacht maar op me. Hij ging terug en kwam een poos daarna weer met de os opdagen. Ziezo zei hij, ik heb de scha betaald en nu gaan we vrolijk verder. Vind U ook niet dat deze voorman een verantwoordelijke taak had? Dat deze ossen door de Schoonebeker boeren bij verkoop als een bron van inkomsten werden beschouwd, blijkt nog heden ten dage hierdoor dat er nog toegangswegen vanaf die vroegere booën over drassig gebieden zijn, die nog de naam “Ossendiek” dragen. Zo’n ossendiek was aan weerszijden van een sloot voorzien en op de laagste gedeelten met palen, rijshout en zand opgehoogd. Van het boo-meugie kan nog worden vermeld dat het in de winter door de booheer werd bemest met de gewonnen stalmest, vaak vermengd met rooddolmerige grond. Vele van deze meuchies zijn nog te vinden en behoren heden ten dage tot de beste groengebieden. Deze meuchies werden nooit geweid maar jaarlijks 2 maal gehooid en de derde snee kreeg het jongvee als gras in de kribbe in de herfst. Uit een en ander blijkt, dat de booheer een vertrouwd iemand moest zijn, van wie het slagen van zo’n jongvee boerderij voor een groot deel afhing. Het kwam nog wel eens voor dat een of andere zoon van de boer zelf daarvoor in aanmerking kwam. We denken hier aan wijlen br. D. Elzing. Zijn beide broers G.J. en E. Elzing zullen nog wel eens als invallers dienst hebben gedaan. Moest er een knecht voor worden gezocht dan werd er de beste voor genomen. Het is ons bekend dat br. D. Steenwijk, thans in “Avondrust” te Emmen ook enige jaren booheer is geweest. Het booheers-baantje was dan ook nog al begeerd. Het eten was goed. De boo-pannekoek was flinke voedzame kost. De booheer boorde in de pannenkoek een paar gaten en deze werden dan met boter volgegoten. Je mocht je wel roemen van een gezonde maag als je zo’n pannenkoek in een keer kon opeten.

 

  

januari 1966

 

Kerkgeschiedenis door dr Ybema

 

Geachte lezers en lezeressen,

Zoals u allicht reeds weet zullen onze artikelen over het ontstaan van Schoonebeek en wat er zo nadien allemaal gebeurd is voorlopig onderbroken worden door pennevruchten van dr. Ybema.

Dr Ybema kent u goed als huisarts, maar denkelijk hebt u nooit geweten dat hij ook een goed historie-kenner is.

Dat heeft de liefde van zijn hart.

De komende bijdragen van hem zullen zeer zeker iets meer op kerkelijk terrein liggen, maar Kerk geschiedenis, Vaderlandse geschiedenis en Algemene geschiedenis zijn vaak nauw met elkaar verbonden, zoals u straks al lezende wel zult bemerken.

Namens de heren van ons comité, G.J. Wilms, A. Vrielink Jzn en J. Rotmensen spreek ik de wens uit dat u veel zult mogen genieten van de artikelen van dr. Ybema,.

Te zijner tijd hopen we dan nog wel weer door te gaan met u meer nieuws te vertellen van de “olde tied".

 

Met een vriendelijke groet,

D. Anholts.

 

 

Kerkgeschiedenis (dr. Ybema.) (I)

 

De Hervorming in Drenthe, het “olde Landschap”, is zeer traag verlopen. In Schoonebeek, een van de dorpen van het dingspil Suidenvelt, ging het al niet anders, hoewel hier de overgang in 1598 het voordeel had, dat de laatste pastoor Harmannus Latevianus, die later de Hollandse vertaling Bredewech als pre­dikant voerde, een en dezelfde persoon was.

Het landschap Drenthe lag in die tijd zeer geïsoleerd door de grote venen, die haar in het zuiden, oosten en westen nagenoeg afsloten van de buitenwereld. De enige toe- en uitgangen werden door vestingsteden beheerd, zoals Koevorden naar de Graafschap, Steenwijk naar Friesland en in het Noorden de stad Groningen, die zelfs tot nog toe, de gehele provincie Groningen domineert. Toen Alva landvoogd werd in de Nederlanden, werden in Drenthe alle haarden van de nieuwe leer opgeruimd.

Een van de weinige predikanten, die er toen waren, Menso Alting uit Sleen, kon maar ternauwernood door de vlucht zijn leven redden.

De voormannen der hervorming vluchtten naar Emden en bleven daar als ballingen wachten op betere tijden.

Nog slechter werd het voor de weinigen, die de nieuwe leer aanhingen, toen in 1580 Remenberg de vaderlandse zaak verried en zich weer onder Spanje stelde.

Hij was een Waal en Rooms.

Zijn verraad had tot gevolg dat Groningen, Drenthe en Overijssel weer in Spaanse handen kwamen met vestingen Steenwijk, Koevorden en Groningen o.a. 

De zaak van Willem van Oranje leek verloren.

Drenthe was in die tijd  een zeer dun bevolkte provincie, zonder een enkele stad, de dorpen waren vrijwel autonoom.

Het bestuur zetelde te Rolde, ridderschap en eigenerfden, de voorganger van de latere Drentse Staten. Het “olde landschap” was een boerenrepubliek; de adel had er niet zo heel veel te betekenen.

Er waren bij de overgang in 1598, 34 parochies en naar schatting 20 à 25.000 zielen in de gehele provincie. Drenthe lag buiten het gewoel van de wereld.

Toen na 1590, door de krijgskunst van prins Maurits de kansen keerden en het van Spanje bevrijde  gebied zich uitbreidde o.a. door de verovering van de vestingsteden Breda,  Zutphen, Deven­ter, Delfzijl, Hulst, Nijmegen en in 1592 Steenwijk en Koevorden, hebben de Schoonebekers hun portie oorlogservaring wel gehad, want het is bekend dat de Spaanse bezetting van Koevorden wegens de geldnood van de Spaanse koning, zich in de buurt schadeloos stelde door plunderingen in de omgeving.

 

 

  

februari 1966

 

Kerkgeschiedenis (dr. Ybema.) (II)

 

Dit plunderen was een rauwe zaak; er werd niet veel van waarde achtergelaten. Toen in 1672 de Munsterse troepen van de bisschop bijgenaamd "Bommen Berend" ook Schoonebeek te grazen namen bij hun doortocht naar Groningen en er o.a. ook de kanselbijbel stalen, bleek er tot de kerkvisitatie van 1678 geen geld voor een nieuwe te zijn.

In 1594 werd Koevorden, dat in staatse handen was, opnieuw be­legerd door de Spaanse troepen van Verdugo. Bij dit beleg is voor het eerst in de geschiedenis de Spaanse ruiterij verslagen in een gevecht, dat in de buurt van Dalen plaats vond. Tot die tijd golden de Spanjaarden als beroepssoldaten voor onoverwin­nelijk in de strijd in het open veld. Ook toen is er door de belegeraars weer grondig geplunderd in de Koevorden omgevende dorpen. De schrik zat er goed in!

Het beleg van Koevorden werd opgeheven, toen Groningen werd aangevallen door Prins Maurits. In 1594 viel het in zijn handen. Het gehele Noorden was in dit jaar bevrijd, maar er gebeurde niets op kerkelijk gebied in Drenthe. Op aandrang van de synode van Groningen werd in 1597 de hervorming van Drenthe door de graaf Willem Lodewijk van Nassau, een broer van Willem van Oran­je, ter hand genomen.

  1. Menso Alting, die weer teruggekomen was uit ballingschap, werd adviseur van de Stadhouder in deze zaak. Stadhouder Willem Lodewijk was een merkwaardig man. Hij leidde een voor die tijd sober leven, studeerde veel en ried zijn neef Maurits sterk aan de krijgskunde der Oude Romeinen te volgen en de krijgs­tucht op te voeren. Prins Maurits had hier zoveel succes mee, dat het langzamerhand een eer werd in Europa bij zijn leger te dienen. Tevoren had het Spaanse leger de naam van beste leerschool voor de krijgskunde te zijn.

 

 

 

 

maart/april/mei 1966

 

Kerkgeschiedenis (dr. Ybema.) (III)

 

Graaf Willem Lodewijk was met hart en ziel de "nye" leer toegedaan en ergerde zich aan de rust van de Drenten, die nog maar steeds hun pastoors handhaafden en probeerden buiten de storm van de tijden te blijven. Merkwaardig was ook, dat bijna alle parochies bezet waren, terwijl in andere provincies vele parochies zonder pastoors waren gebleven. Drenthe was en bleef een rustig oord, waar men veilig de kat uit de boom kon kijken, ook als pastoor. De krijgskans kon plotseling weer eens keren!

Graaf Willem Lodewijk kunnen we zeker als vader van de Refor­matie in Drenthe beschouwen, als zodanig verdient deze hoogstaande geleerde onze achting. Hij wilde de christelijke kerk in Drenthe beschermen en handhaven. Ds. Menso Alting vond 7 kerspelen (parochies) in staat, ook financieel om een predi­kant te beroepen, n.l. Meppel, Vries, Havelte, Diever, Kolderveen, Anloo en Coevorden. Op de eerste classicale vergadering op 1 augustus 1598 te Rolde, onder leiding van de Groningse predikanten (Drenthe werd als deel van de classis Groningen beschouwd) waren er slechts 3 predikanten in Drenthe, terwijl tevens op de kerkvergadering de pastoors dienden te verschijnen om te verklaren, welke kant zij uit wilden of, zoals onze Schoonebeker pastoor, Hermannus Bredewech deed, te verklaren dat hij met het pausdom niets te maken wilde hebben en dat hij zich bij de Gereformeerde Kerk zou voegen om de "nye" leer des Goddelijken Woords te prediken, na een examen. De grote meer­derheid der Drentse pastoors bleef de Roomse kerk trouw en werd dus ontslagen. Zij, die de nieuwe leer beleden moesten examen doen in kerk en bijbelse geschiedenis. De kennis van 2 der overgegane pastoors bleek onvoldoende, zodat ze een herexamen kregen. Eerst op 12 september 1600 werden zij als predi­kant aangenomen.

 

 

  

juli 1966

 

Kerkgeschiedenis (dr. Ybema.) (IV)

 

Op de eerste vergadering der classis te Rolde klaagde Ds. Bredewech, dat de Schoonebeker huys­lieden hem niet voldoende voedsel in natura ver­schaften (o.a. "jaargetijden" van speck, broot en botter enz.). Hij kan zijn huysgezin niet onderhouden, evenzo schoten de Schoonebeker huys­lieden te kort bij het bebouwen van de parochielanderijen.

De classis verwees deze klacht naar de drost als vertegenwoordiger van het wereldlijk gezag, zo­dat de sterke arm van de wet er bij moest komen. We kunnen hieruit zien, dat het feit dat de pas­toor was overgegaan tot de "nye leere" voor de Schoonebeker huyslieden (lees: boeren) voldoende was om hem minder te achten. Ze waren minder bang voor hem als predikant dan als pastoor.

Alva had met zijn plakkaten en inquisitie de ter­reur ingesteld. De plakkaten straften niet alleen overgang tot het nieuwe geloof streng, maar ook het niet voldoen aan de kerkelijke belastin­gen der Roomse kerk! 

Van onze eerste predikant weten we niet veel. De classicale vergadering werd alleen door predikan­ten bezocht, tevens door waarnemers van de overheid en door de afgevaardigden van de Groninger synode, die het nodig vonden een beetje op hun kleine broertje te passen. Het heeft tot 1619 geduurd voor de Groningers wegbleven.

Wel behield de overheid in de vorm van de sta­ten en de Graaf een vertegenwoordiger in de classis. Ds.Bredewech was geen trouw bezoeker van de classicale vergadering. Dit blijkt uit de notulen. Hij kreeg dan ook nogal eens een berisping of boete wegens niet verschijnen.

Ds. Bredewech is vertrokken in september 1603 naar Meppen en leefde nog in 1611. 

 

 Augustus 1966

 

De oudste bekende belastingen.

 

Belastingen 17 en 18 eeuw gebouwen,  schulte, keurnoten

 

Nadat de lezers nu enkele keren een interessant beeld werd gegeven van de kerk en kerkgeschiedenis van Schoonebeek, direct na de reformatie, lijkt het ons ook wel dienstig  iets over de oudste ons bekende belastingen te vertellen.

In het rijksarchief te Assen bevinden zich dienaangaande verschillende gegevens uit de 17e en 18e eeuw. 

Uit die gegevens blijkt, dat men jaarlijks van huis tot huis rond ging om op te nemen en te noteren hoe groot het huis was. Het aantal gebinten van de huizen werd opgenomen en vergeleken met de grootte van het woonhuis van het vorige jaar.

Was dit huis het laatste jaar vergroot, of zoals men het toen uitdrukte, dat er een of meer gebinten waren bijgekomen, dan werd dit vermeld.

Naast dit woonhuis kregen de schuren een beurt. Ook werd daarbij weer de grootte gebintsgewijze vermeld. Verder werd ook genoteerd welke gebouwen er nog meer op de boerenhoeve aanwezig waren. Veelal kwam op het boerenerf naast de reeds genoemde gebouwen ook een spiker en een rosmolen voor. De spiker is oorspronkelijk een naam van over de grens, waar men zo’n gebouw Speicher noemde. Dit gebouw of gebouwtje was gezolderd en die zolder was de bewaarplaats voor het koren (rogge), die daarop los gestort werd en zonodig omgeschept, zodat ze daar duurzaam bewaard kon worden. De oude tijd van zelfvoorziening maakte het noodzakelijk, dat men niet direct aangewezen was op de nieuwe oogst, maar dat de oude oogst van het vorige jaar nog aanwezig was. Denk hierbij aan misoogsten. De zolder van de spiker leende zich er dus heel goed voor om de rogge te bewaren. De beneden vertrekken van de spiker gebruikte men voor velerlei, zoals grote kisten met kippenvoer, de baktrog en de baktafel stonden er in, ook vond men er de vleesvaten of kuipen, waar het vlees van eigen slacht in werd gezouten. Ook vond men er vaak de bakoven. Dit laatste was niet overal het geval, bij meerdere boerderijen had men op de hof of in de boomgaard een apart ovenhoes, een soort overkapping voor de bakoven.

Een rosmolen was een eenvoudige malerij, waar de voergranen en het grove roggemeel kon gemalen worden, voor het eigen gebakken roggebrood. Men sprak in die oude tijd, van wat dit broodmeel betreft, van twee korrels in drie stukken. Op verdere bijzonderheden over de inrichting van het woonhuis en de schuur gaan we nu niet in. Misschien komt dit later nog eens.

Om niet te ver van ons onderwerp af te dwalen, n.l. de oudste bekende belastingen, werden tevens van huis tot huis genoteerd: de grootte van het bouwland, de woeste grond, het weiland in koeweiden uitgedrukt, het hooiland in dagwerken (een dagwerk kon door één man in één dag met de zeis gemaaid worden), terwijl daarnaast genoemd werd een waardeel in de marke van Schoonebeek plus een boo. Deze lagen alle in de marke. De marke begon bij de Ellenbeek en eindigde tegen het Munsterse aan. Een tweetal van deze booën worden genoemd als liggende buiten de Schoonebeker marke en in het Munsterse gebied.

Nu hebben we nog niet verteld op welke manier deze gegevens over gebouwen e.d. werden opgenomen. Dit gebeurde door de schulte of iemand door de schulte daarvoor aangewezen, met naast hem twee z.g. keurnoten. Dit waren twee personen uit de eigen erfden, dus een paar Schoonebekers.

De schulte was geen ingezetene van Schoonebeek. Vaak was de schulte van Coevorden het ook van Schoonebeek.

Zelfs de schulte van Dalen was wel eens de schulte van Schoonebeek, alleen ten tijde van de Bataafse republiek heeft Schoonebeek een eigen schulte gehad in de persoon van Albert Ellen, die in de Oostersebos woonde.

Voor de verschillende door ons genoemde onderdelen was een vaste norm aangenomen, die gold voor het hele dorp. Het rondgaande drietal werden de schatbeurders genoemd. We veronderstellen, dat ze dus niet alleen naar de normen de aanslagen opnamen, maar ook met de invordering waren belast.

Toen men na verloop van tijd meer aandacht aan de Saksische woonhuizen ging schenken, en niet meer met het rundvee en de paarden in een groot vertrek samen wilde wonen (het halle type) ging men over tot het aanbrengen van een houten schot tussen het woon- en bedrijfsgedeelte (keuken en deel). Dit had tot gevolg dat de rook van het haardvuur in beperkte ruimte blijven moest, want er waren nog geen schoorstenen. Men ging toen achter de haardkolk een stapel metselen van steen. Om de haardkolk kwam de liggende haardplaat, waar je ’s winters zo lekker je voeten op kon warmen. Deze haardplaten waren soms heel mooi. De belastingdienst, die van deze woning verbetering op de hoogte kwam, vond hierin aanleiding tot het invoeren van weer een nieuwe belasting, het z.g. haardstedengeld. 

 

November 1966

 

Waardeel onverdeelde marke plus boo.

 

We hebben in ons vorig schrijven dat als uitgangspunt had de oudste bekende belastingen, nog al enige uitstapjes gemaakt over de verschillende objecten. Tot goed begrip van deze zaak willen we daaraan nog enkele dingen toevoegen.

Er waren toendertijd de onverdeelde marke-gronden, waar ook belasting van betaald moest worden. Iedere eigenaar moest zijn waardeel in de onverdeelde marke opgeven, plus de boo.

We maken hieruit op dat in de gezamenlijke onverdeelde boermarke van Schoonebeek zich ieder der gerechtigden een booplaats had toegeëigend of toegewezen heeft gekregen.

Uit de belastingopgaven van jaar tot jaar blijkt, dat in de grote onverdeelde marke, de boe, de booschuur en boomaatje al privé bezit waren. De meer drooggelegde stukken grond, waaronder ook de boo, gingen de Schoonebeker kolonisten gebruiken als jongveeweide. Dit naar onze mening ook weer in navolging van de kloosterlingen, die dit ook in verschillende gebieden van onze provincie deden. Ook deze zetten op de hun toebehorende gronden primitieve hooischuren. Verschillende oude namen in Drenthe wijzen er op, dat dit inderdaad het geval is geweest, terwijl hiervoor ook nog gegevens in verschillende oorkonden aanwezig zijn.

We mogen derhalve aannemen, dat de booën al zeer oud zijn. U herinnert zich nog wel de 80-jarige oorlog uit uw schooljaren? Welnu, toen waren de boeën er al.

En mag ik u dienaangaande nog even weer in herinnering brengen, dat een van de volgelingen van Jan van Leiden (wederdopers) zijn toevlucht nam tot de Goorman’s boo.

Een volgende keer over “Zelfvoorziening”. 

 

Januari 1967

 

Zelfvoorziening.

 

In de oudste onzer bekende tijden ervaren de eerste bewoners dezer omgeving, dat zij geheel op zelfvoorziening zijn aangewezen.

We kunnen ons dat tegenwoordig niet voorstellen, maar toch is dat zo. De allereersten zullen wel als vroeger de Batavieren, van de jacht en visserij hebben geleefd.

Er zal in die tijd, naast het klein wild, zeer zeker ook veel groot wild (we denken aan reeën) hebben geleefd.

Daarnaast had je er ook de roofdieren o.a. wolven, waarvan de laatste omstreeks 150 jaar geleden in de buurt van de gereformeerde kerk is geschoten.

Daaraan ontleent het hotel “De Wolfshoeve” haar naam.

Wat de vissen betreft, die schijnen er ook veel te zijn geweest.

We hebben reeds eerder geschreven, dat de toenmalige pastoor van Schoonebeek omstreeks dertienhonderd een klacht indiende bij de Hogere Kerkelijke autoriteiten tegen de Emmelkampers, die veel vis stroopten uit de “Oude Beke” thans het  Schoonebeker Diep. Hij meende n.l. voor zichzelf en zijn parochianen het alleen-visrecht in die beek te hebben.

Langzamerhand ging men naar de nodige ontwatering en begreppeling van de percelen noordwaarts van de bedrijven tot grondontginning voor de landbouw over.

De gereedschappen, waarmee men dit deed, waren primitief. De hak was er één van. Men begon daarmee het land om te trekken, zoals men dat later, toen de boekweit kwam, met het veengebied voor boekweit deed.

Allengs werd de bouwakker groter. Waar er in eerste instantie alleen schapen op het bedrijf aanwezig waren, kreeg men daarna ook rundvee.

De boer trachtte zo veel mogelijk zijn werktuigen zelf te maken, o.a. houten ploeg en dito egge. Daar werden ossen of ook wel melkkoeien voor gespannen en zo werd het bedrijf langzamerhand groter.

In de loop der jaren werd de gehele houten ploeg van een klein ijzeren schelpje voorzien waarmee men jaren gewerkt heeft, voor er een geheel ijzeren ploegschelp kwam.

Rogge was de hoofdverbouw. We hebben hier al eerder op gewezen, denk aan de roggepachten.

Men kon nu zijn eigen brood bakken. De grote boeren kregen zelf rosmolens, terwijl het ook bekend is, dat in diezelfde tijd (1300) er een watermolen is geweest ten zuiden van Padhuis in de “Oude Beke”.

Wanneer men daar met zijn koren kwam, werd er geen maalloon in geld betaald, maar mocht men een zeker deel uit de pong nemen, dat eerst huchten en later scheppel heette.

We vertellen u al deze dingen om daaruit op te merken, dat de zelfvoorziening nummer één was.

(Een wettig Nederlands betaalmiddel bestond er toen nog niet, veel minder papiergeld, ik zou zeggen: papiergeld helemaal nog niet)j.l. 

Enkele steden en ook provincies hadden hun eigen muntrecht. We denken hier aan de Zeeuwse rijksdaalder uit die tijd en het muntrecht van de stad Deventer, terwijl ook de toenmalige graafschap Bentheim een eigen grafelijke munt bezat.

We veronderstellen dat alles er op wijst, dat die graafschapper munten ook hier het meest in zwang zijn geweest.

Even later kreeg men in de 80-jarige oorlog de Philips daalders of Spaanse matten, die nog niet zo lang geleden onder Padhuis en ook hier bij het slootruimen langs het z.g. Spanjaardspad werden gevonden. 

 

maart 1967

 

Zelfvoorziening, vetbezien, leerlooier, kleermaker enz.

 

We gaan dit keer nog veel verder om nog iets meer te vertellen over de zelfvoorziening. Naast het wild en de vissen kreeg men ook het roggebrood. Van roggebrood en roggebrij zijn al heel wat Drenten groot geworden. Verder voortgaande werden ook proeven genomen met tarwe, die heette toen hier de witte weit en vervolgens ook met gerst.

Van de gerst maakte men, nadat ze gepeld was, gort, ook een uitstekend voedsel. Daarnaast gebruikte men een deel der gerst om er bier van te brouwen.

Van die boerenbierbrouwerijen hebben tot voor plm. 100 jaar in de graafschap Bentheim nog een paar bestaan.

Op de Loo bij Coevorden heeft lang een oude pelmolen gestaan, waar de boeren heen gingen om de gerst te laten pellen. Denk aan de oude naam pelgerst in plaats van gort,

Toen men langzamerhand naast de schapen, ook rundvee, ganzen en kippen hield, werden deze in de loop der tijden, bij vermindering van het wild en de vissen, voor eigen slacht gebruikt.

In sommige oude boerderijen zijn nog heden ten dage de grote vleesvaten of kuipen aanwezig, waarin de “eigen slacht” gezouten werd. Zo’n vleesvoorziening gold dan voor het gehele jaar. In de wintermaanden waren, naar mate de grootte van het gezin, de slachtingen aan de orde van de dag.

De buur boeren kwamen dan “vetbezien”. Bij die gelegenheid werd dan een borreltje gedronken. Na de zouting werden vlees en het spek in de wiemel gehangen om te drogen of ook wel gerookt in de grote oude schoorsteen. De wiemels aan de zolder in de keuken en in de schoorsteen, zijn in de oude boerderijen hier en daar nog voorhanden. Uit een en ander is het wel duidelijk, dat in eigen onderhoud voorzien, zonder wat bij te kopen, aan de orde van de dag was.

Deze voorziening strekte zich nog veel verder uit. Men trachtte zich op alle terrein zoveel mogelijk zelf te redden. Naast de granen ging men ook peulvruchten verbouwen. Bonen en erwten deden in de loop der week vaak dienst als voedsel voor de middagpot.

Vooral de stambonen (hardschillen) zijn ook in de latere eeuwen een zondagsmaal geweest. Verder teelde men verschillende specerijen, die later uit de koloniën werden betrokken. Bonen, erwten, specerijen, werden alle verbouwd in “de goren”. Deze is afgeleid van het Duitse “garten”.

Bij enkele museumbedrijven en ook met name in het openluchtmuseum te Arnhem zijn de oude specerijen nog voorhanden en worden daar jaarlijks geteeld. Het laatste wat van deze kruiden nog overgebleven is, is de saliebos, die men bij sommige boerderijen nog aantreft. Och, wat was die selfermelk toch lekker toen je jong was.

De gebruikers van landbouwwerktuigen, die we de vorige keer al even hebben aangeroerd,  werden door de eerste bewoners van ons dorp en omgeving ook zelf gemaakt. Eén van de oudste is naar onze mening de slede geweest. Eerst denkelijk voortbewogen door ossen, of ook wel bij de kleinere boeren, door de melkkoeien.

Deze dieren moest men in de zomer ’s morgens vroeg of ’s avonds gebruiken. Overdag als de zon heet werd, gingen ze aan het birzen en gingen met het voertuig er van door. Hout was er genoeg, men maakte dus de sleden en de eerste primitieve wagens zelf. Deze wagens hadden houten assen en houten rongen. Waren die houten assen en rongen dan wel sterk genoeg, vraagt misschien iemand. Jawel, men laadde er niet zoveel op, alleen al omdat de grond lang zo droog niet was als nu.

Langzamerhand werden de wagens met bredere velgen van smalle en dunne hoepels voorzien. We stellen ons dat zo voor, dat de ene boer boven de andere uitblonk in het vervaardigen daarvan. Waaruit de dorpssmederijen zijn voortgekomen, zoals we ze thans kennen.

Ook gebeurde dit b.v. bij de schoenmaker, weer een voorbeeld van zelfvoorziening in dit geval. De huid van de geslachte koe werd naar de schoenmaker gebracht in de slachttijd. Wanneer er dan van de verschillende boeren een zekere hoeveelheid koehuiden aanwezig waren, kwamen ze in de z.g. koep (een gat in de grond), laagsgewijs werden ze er in gelegd. Tussen de huiden kwam gemalen eikenbast, run genaamd. Daarna werden ze met zand afgedekt. Wanneer ze een zekere tijd in de koep gezeten hadden, werd het zand verwijderd en de huiden waren dan gelooid en kon het verdere bereiden tot leer plaats vinden. Wanneer dit leer dan klaar was ging het naar de boer terug.

Daarna kwam de schoenmaker bij toerbeurt bij zijn klanten thuis en maakte laarzen, klomplaarzen en schoenen voor het hele gezin. Hij was dan ook bij de boer in de kost, waaruit weer blijkt, dat wanneer het enigszins mogelijk was, het uitgeven van geld beperkt werd. De zolen van de laarzen, enz. werden met houten pennen (peggen) vastgemaakt. Voor het vervaardigen van die peggen gebruikte men bij voorkeur vlierhout. Overigens werkte hij met pikdraad, dat hij ook zelf maakte. Zoals de schoenmaker, die ook zelf boer was, gebeurde het ook met de kleermaker, de klompmaker, de rietdekker, enz.

Touw werd er ook niet gekocht. De boer verbouwde hennep (hamp) en sloeg zelf zijn touw.

 Als verdere voorziening bij onze boeren zouden we willen noemen het raapzaad en het vlas. De wol van de schapen werd op de boerderij verwerkt tot allerlei kledingstukken, b.v. gestreepte rokken voor de vrouwen, kousen, borstrokken. De ouderen onder ons kennen nog wel de schaaps grieze hosen. Die waren dan van ongeverfde wol. Moesten er kousen voor de zondag zijn, dan ging de wol naar de verver om ze in zwarte of blauwe kleur te laten verven.

Maar, jongens wilden niet te veel geld uitgeven voor dat verven. Daarom breide men de punten van de kousen en de boveneinden van gewone witte wol.

Wanneer de schapen dicht voor het scheren gewassen waren en daarna de boer met zijn personeel of anders met boerenhulp de schapen gingen scheren, werd de verdere verwerking van de wol aan de vrouwen overgelaten.

We denken hierbij aan de oude spinmalen en de dag en avondspinsters. Bij deze spinsters mochten ook de jongens nog wel gaarne hun opwachting maken. Er waren toen ook wel aanknopingspunten.

Een hele bewerking onderging ook het vlas op de boerderij. Iedere boer had, naar het gezin groot was, jaar op jaar een vlasveld. Het zaaien van dat vlas, het wieden, het trekken en het roten, was meest mannenwerk. Maar verder kwamen de vrouwen er aan te pas. Wanneer dan eindelijk het product tot vlassengoren gemaakt was, kwam de linnenwever er aan te pas. 

 

april 1967

 

Linnenwever, raapzaad. (1914/1918.)

 

De laatste keer eindigden we er mee dat het vlassengoren bij de linnenwever terechtkwam. Voor zover ons bekend is, kwam het hier niet voor dat er aan de boerderij een weefkamer gebouwd was. Dat was wel het geval in Overijssel en de Achterhoek. Het linnen van onze boeren was alleen voor eigen gebruik, n.l. voor onderkleren en ook heel vroeger voor bovenkleren.

De voorraad nieuw linnen dat er jaarlijks bij kwam, diende niet alleen voor aanvulling van kleding, maar er bleef telken jare wel wat over. Zodoende zag je in haast iedere boerderij in de kabinetten rollen linnen, prachtig opgerold, die als een soort pronkstuk werden bewaard. In de laatste oorlog werd er nog wel eens gebruik van gemaakt, maar het bleek dat er niet veel sterkte meer aan was. (Huisindustrie is in Overijssel en de Achterhoek de voorloper geweest van de tegenwoordige fabrieksindustrie).

Zo hebben we weer gezien, dat ook de behoeften aan kleding en schoeisel voor een groot gedeelte op de bedrijven, zonder dat het veel geld kostte, werd gemaakt. Toen langzamerhand de vlasbouw en ook het schapenhouden minder werd, bleef toch de ruilhandel, met zoveel mogelijk een dichte portemonnee.

En mocht er eens iemand niet bij machte zijn om te betalen, geen nood, de bakker of welke neringdoende hield er een kerfstok op na. Hij kreeg dan een inkeping op de kerfstok. Vandaar de uitdrukking “Hij heeft wat op zijn kerfstok”. Maar toch, als we dit alles, zoals het zich zo langzamerhand ontwikkeld heeft, eens goed op ons laten inwerken, hoe waar is het Schriftwoord: “Zijn God onderricht hem over de juiste wijze en onderwijst hem” Jes. 28 : 26.

We zouden ook nog in verband met de zelfvoorziening van de boer nader willen ingaan op de verbouw van het raapzaad. Dit werd meest verbouwd als zomerraapzaad (de sommerruben). Hiervoor zocht men, evenals bij het vlas, zo mogelijk de hoger gelegen madegrond, dat werd gescheurd en verder zaaiklaar gemaakt, het zomerraapzaad gezaaid en na rijping geoogst. Daarna het dorsen en schoonmaken van het zaad, waarna dit zaad eerst op eenvoudige wijze werd geplet en later naar de oliemolen ging.

Zo’n oliemolen bestond vroeger ook in ons dorp, was een onderdeel van een bestaande windkorenmolen. Onder in die molen draaide een staande steen rond, die het oliezaad vermorzelde, zodat de olie en het omhulsel gescheiden werden. De olie werd in vaatjes opgevangen en de bolster kwam in zakken. De olie en afvalproduct, gingen beide naar de boerderij terug. De olie kwam in het vat om bewaard te worden en ter gelegener tijd als spijsolie te worden gebuikt, terwijl die olie ook werd gebruikt voor verlichting in de woonvertrekken en op de deel.

Het afval was voor de koeien, denk aan de raapkoeken (de groene koek). We hebben wel eens gehoord dat deze olie in belegen toestand het lekkerst was. Verse olie was nog al bitter en scherp. Daarom had men in de oude tijd bij onze boeren olie van de oogst van verschillende jaren. Op de vaatjes was het oogstjaar met krijt aangegeven, zodat men steeds wist wat de meest belegen olie was. Ook het afval en de latere raapkoeken waren erg bitter en scherp, zodat ook de koeien ze moesten leren eten.

De verbouw bij onze boeren is al lang voorbij.

Sommigen van onze oude ingezetenen herinneren zich nog dat enkele van de boeren er tot in het begin van de oorlog 1914 – 1918 dit raapzaad nog jaarlijks oogstten.

 

Mei/juni/juli 1967

 

Boekweit- Roggeverbouw, accijns gemaal.

 

We eindigden de vorige keer met het feit dat in het begin van de oorlog 1914 –1918 nog enkele boeren het raapzaad verbouwden. Het was toen zeer moeilijk het zaad tot olie verwerkt te krijgen, vooral ook omdat toen de grens met Duitsland gesloten werd. We weten niet of zo’n oliemolen over de grens nog bestaat, maar voor enige jaren was deze nog in Neuenhaus aanwezig en ook in gebruik. Onze Graafschap Bentheimse buren hebben dus deze raapoliecultuur nog heel wat langer in ere gehouden dan hier het geval was.

Toen de boekweitverbouw in het laatst van de 18e eeuw hier inheems werd en er veel boekweiten – pannenkoeken werden geconsumeerd in deze omgeving werd de raapolie door het tegenwoordige product de slaolie vervangen. Op de boekweitteelt gaan we hopelijk in een volgend artikel nog nader in.

Wel willen we hier even bij opmerken dat toen de boekweit haar intrede had gedaan, de verbouw van gerst en witte weit verdween.

De rogge bleef het hoofdproduct van de oude tijd alhier.

De pongen rogge die eerst primitief in de boerenrosmolen werden gebroken, gingen iets later naar de molenaar. Wilde men roggebrood, het zwarte brood, daarvan bakken dan moest de rogge grof gemalen worden.

De bewerking van het roggebrood gebeurde ook op de boerderij.

Een hoeveelheid van deze grof gemalen rogge kwam in de boerenbaktrog, werd met water aangemengd en er werd zuurdeeg aan toegevoegd. Dit zuurdeeg was van een vorig baksel overgehouden. Nu werd de massa taai gemaakt in de trog.

De boer deed dit zelf, niet met zijn handen of machinaal, zoals het nu gebeurt, maar met zijn voeten. Verder werden dan de broden gevormd (langwerpig vierkant), de eigen bakoven (op iedere boerderij aanwezig) goed heet gestookt en de roggebroden konden in de oven worden gezet.

In de hete oven werd met een schussel de broden er in gescho­ven, netjes naast elkaar gezet, gescheiden door natte plankjes en bleven dan een nacht over in de oven staan.

Om de oven zo lang mogelijk flink warm te houden, werden de gleuven aan de ovenmand met wat brooddeeg dichtgesmeerd. De volgende morgen was het baksel dan gaar.

Men kan zich tegenwoordig de grote roggebroden niet meer voorstellen, want denkt u er eens aan, ieder gebakken brood woog 25 à 30 pond.

Wilde men een fijnere kwaliteit roggebrood, dan moest de rogge zo fijn mogelijk worden gemalen. Wanneer die fijn gemalen rogge op de boerderij terug was kwam de zeef er aan te pas.

Door de zeef boven de trog heen en weer te schudden kwam dan het fijne meel onder de zeef in de trog terecht.

Van dit fijn meel (de roggebloem) werd dan de boerenstoete gebakken.

De op de zeef achtergebleven zemels werden tot een zemelbroodje verwerkt.

Het bakken van de boerenstoete geschiedde door de vrouw des huizes.

Dat zeven van het meel kwam tot een eind, doordat de molenaar zich een builkist aanschafte. De builkisten kwamen het eerst voor in de Graafschap Bentheim.

Het is toen wel voorgekomen dat boeren van hier met een pond (pong) rogge op het hoofd naar Emlichheim gingen om aldaar bij de molenaar te laten malen en builen.

Dit mocht eigenlijk niet, want men trachtte daarmee te ontduiken de accijns die hier vroeger op het gemaal bestond. Deze accijns heeft nog tot omstreeks 1850 bestaan.

Een dergelijke accijns op het geslacht is er nog veel langer geweest.

Bij de accijns op het gemaal was de molenaar verplicht dit te innen.

Degene die financieel niet in staat was deze belasting te betalen, kreeg van de molenaar door het gemalen product droog zand (maal - zand) gemengd, zodat hij genoodzaakt was b.v. boerenstoete of pannenkoek te eten waar zand in zat.

We denken dat daarvan nog afstamt het oude spreekwoord “ Zand schuurt de maag’.

  

Augustus 1967

 

Vervoer rogge naar molen.

 

In ons vorig artikel, misschien heeft u het gemerkt, zat een lelijke fout. In plaats van een pong rogge stond er een pond rogge.  Ik weet niet of al onze lezers weten wat een pong is. Natuurlijk onze boerenbevolking wel. De naam pong is afkomstig van een hoeveelheid rogge of boekweit in een korenzak. De oud­ste methode om deze pong naar de molen te brengen, was dragen op het hoofd.

De zgn. pong werd b.v. op een kist neergezet in omgekeerde richting met de dichtgebonden zakopening naar beneden. Dan werd in deze zak met inhoud een deuk gedrukt in de vorm van een hoofd. Het hoofd werd dan in die deuk gestoken en nadat de pong groter of kleiner was viel het koren in de zak aan weerszijden van ‘s mans hoofd naar beneden, zodat de vracht ook gedeeltelijk op de schouders kwam te drukken. Heel vroeger waren er in ons dorp twee windmolens en wanneer dan de molenwieken lustig draaiden en er dus gemalen kon worden, spoedden onze boeren zich naar de molenaar om een vracht, gedragen op het hoofd en schouders, gemalen te krijgen. Later werd er ook gebuild, zoals we in een vorig artikel reeds geschreven hebben. De molenaar regelde zich er naar om, indien mogelijk, deze boerenpongen direct te malen. Het gebuilde meel, zoals reeds eerder gezegd, werd dan door de boerin thuis tot boerenstoet verwerkt. Toen men nog geen gist had werd vaak een hoeveelheid Je­never aangewend om het baksel aan het gisten te krijgen. De eer­ste gist kwam hier zoals zoveel andere artikelen uit de Graafschap Bentheim. 

 

September/oktober 1967

 

Jenever stokerijen, gistdrager, vrijhandel met Graafschap.

 

Daar had men in  de oude tijd van die boerenjeneverstokerijen. Een bekende zogenaamde gistdrager uit de benoemde Graafschap voorzag de winkels alhier, en soms ook wel de boerinnen stoete bakkers zelf, van dit materiaal. Zo'n gistdrager, zo van de boeren jeneverstokerijen, verdiende nog al wat aan dit gist uitventen. De gist was verpakt in een z.g. "ben", die op de rug gedragen werd. Het is bekend dat iemand van dit gilde met z'n gistdragerij zoveel had verdiend, dat hij in ons dorp, nu ruim 1½ eeuw  geleden, een boerenplaats kon kopen en dit ook heeft gedaan. Als aandenken aan deze aankoop wordt, naar wij menen te weten, die gistben nog altijd in de familie bewaard. Zeer waarschijnlijk heeft hij niet de hele boerderij geheel en al met de venterij verdiend, maar toch had hij zoveel geld bij elkaar dat hij in staat was bedoelde boerderij te kopen.

Om nog even terug te komen op andere dranken b.v. bier, hetwelk ook van die boeren distilleerderijen kwam. We hebben wel eens ge­hoord dat in de korenbouw (de oogsttijd) verschillende van onze boeren zich van zo'n hoeveelheid bier (een vaatje) gingen voorzien. 

Er was vroeger een vrije handel over en weer met onze naaste zuiderburen uit de Graafschap Bentheim. Wat later, toen het koninkrijk Hannover bij Pruisen kwam, is dit opgehouden. Er kwa­men toen voor ons grote veranderingen. De grens werd bewaakt door de grenscommiezen van Duitse zijde, die trachtten aan dat vrije verkeer over en weer een einde te maken. Onze zuiderburen waren aan dat vrije verkeer zozeer gewend dat de smokkelhandel toen welig tierde. Vooral na afloop van de in die tijd bekende kerstmarkten in Coevorden, de z.g. biestemaandagen, kwamen ‘s avonds koppels rundvee, die met hun drijvers ons dorp passeerden waar ze dan de grens over werden gesmokkeld. Dit heeft nog al wat jaren bestaan maar door intensieve controle op de boerderijen hier over de grens was dat later bijna niet meer mogelijk. Onze Duitse buren hadden toen voor hun veestapel volledige stallijsten  gekregen, waarop een geregelde controle plaats had, zodat, uitzonderingen daar gelaten, het smokkelen in het groot vanzelf ophield.

 

november 1967

 

Schoonebeek nauw met Graafschap verbonden. Bentheimer steen. (I)

 

Vergeet daarbij niet dat we toen de tijd hadden van de hoge tolmuren aan Duitse zijde waarvoor de invoer ook van andere artikelen zoals koren en winkelwaren zodanig werden belast, dat dit hoe langer hoe minder werd. Het is ons bekend dat verschillende zakenmensen aan de overkant van de grens, evengoed als de mensen hier, van verschillende grossiers uit Coevorden, Meppel en Zwolle geregeld hun bevoorrading kregen.

Ook dit is van lieverlede opgehouden als gevolg van de hoge Duitse invoerrechten afgezien van veel kleinere hoeveelheden die men dan zonder steuer mocht invoeren.

Niet onmogelijk dat, gezien de vordering die men op ’t ogenblik in de E.E.G. maakt, het vrije grensverkeer van vroeger terug keert.

Zoals uit onze vorige kroniek bleek was Schoonebeek de eeuwen door wat zijn ontwikkeling betrof van het begin af nauw met de Graafschap verwant. Dit komt ook uit b.v. in de namen van onze ingezetenen en die van de overkant.

Dit werd nog duidelijker toen we enige tijd geleden in staat waren de oude kerkboeken, van geboorte, huwelijk en overlijden in te zien, dat ons welwillend werd toegestaan. Het werd ons bij die inzage duidelijk dat heel veel namen gelijk zijn.

We willen niet teveel beweren maar onze mening is, dat er in de tijden die achter ons liggen steeds een nauw contact, ja ook familiebanden over en weer hebben bestaan. We hebben het al eens eerder gezegd, de grens was tot in de 18e eeuw niet nauwkeurig bepaald. Wel waren er hier en daar bij de bochten in het nog niet genormaliseerde Schoonebekerdiep grenstekens in de vorm van grensstenen aanwezig. Deze dateerden volgens inschrift uit verschillende tijden. Laten we er één mogen noemen. Aan de grens bij de Koppel in de gemeente Coevorden vonden we nog niet zo lang geleden een half weggezakte grenssteen waarop aan Nederlandse zijde niet zoals normaal een N was uitgebeiteld maar B R (Bataafse Republiek). Het schijnt dat men door de eeuwen heen hier en daar zulke stenen als grensafbakening heeft gebruikt. Bewijzen: op het punt van de Nederlandse grens waar aan Duitse zijde de vroegere Graafschap Bentheim ophoudt en het Munsterland begint, staat nog een oude steen met aan onze zijde uitgebeiteld het Bourgondische kruis.

Dat de grens in onze omgeving en ook op andere plaatsen niet nauwkeurig bepaald was moge blijken uit de naam Twist. Hiermede een gebied aanduidende beginnende oostwaarts van de Ellenbeek tot een heel eind voorbij het tegenwoordige grensdorp Twist. Dit dorp is dan ook naar het vroegere betwiste gebied genoemd. De Schoonebeker boeren gingen zich in de loop der eeuwen steeds meer in oostelijke richting verplaatsen. De meest oostelijke hadden het weidegebied tot dicht bij het dorp Rühle.

Van de booheren van die meest oostelijke boeren is bij overlevering bekend dat wanneer hun vee wat ver in oostelijke richting was afgedwaald, ze wel eens in de bomen zijn geklommen om het jongvee in de richting van het dorp Rühle te zoeken. Wat aan de oostgrens het geval was deed zich ook aan onze zuidgrens voor. We bedoelen dan de grens zoals die is vastgesteld bij het grenstraktaat tussen Nederland en Hannover in 1824. Was dus hier in deze omgeving voor die tijd de grens niet nauwkeurig bepaald, hetzelfde deed zich b.v. ook voor in het Dinkelgebied in de buurt van Lage en Breclenkamp.

In deze laatste contreien is vooral bekend de Lager bocht. Bij deze heel scherpe bocht, pal aan de nu Duitse zijde staat op dit ogenblik een boerderij met gevelsteen B B (Berend Bocht).  Zeer waarschijnlijk heeft de bewoner te zijner tijd toen hij een achternaam moest hebben zich genoemd  naar die bekende bocht. Wij vra­gen ons af waarom is eerst in 1824 de definitieve grens bepaald en willen er dit over opmerken. Het regerende huis van het Graafschap Bentheim was in de 17e eeuw en begin van de 18e eeuw financieel welvarend. De verkoop van de Bentheimer zandsteen leverde goed geld op. Ze werden gebruikt voor de bouw van kerken, ze dienden als voetstenen van de muren van de boerderijen, zoals men ze hier ook nog kan zien en ook de adellijke huizen werden er op gegrondvest. Verder werden er allerlei andere gebruiksvoorwerpen van gemaakt b.v. kleine regenbakken, paardekribben enz. Door het meer ingang vinden van metselstenen en het minder bevaarbaar worden van de Overijsselse Vecht werd de steenhouwerij in Bentheim minder. Wie echter heden ten dage de steengroeven bij Bentheim bezoekt krijgt daardoor een indruk van de geweldige uitgestrektheid van het terrein waar deze stenen en verdere voorwerpen uitgehouwen zijn. 

 

 december 1967

 

Schoonebeek nauw met Graafschap verbonden. Bentheimer steen.(II)

 

Wanneer we in aansluiting ook ditmaal nog even mogen doorgaan met u te vertellen over het vroegere Bentheimer land en zijn steengroeven, zal het u duidelijk worden dat ons vaderland en de Graafschap Bentheim door de eeuwen heen nauw verwant zijn geweest. Dit kwam ook al door de verwantschap van onze Stadhouders. Neem b.v. onze Stadhouder-koning Willem III, die zich omstreeks 1700 als bemiddelaar heeft opgeworpen tussen Graaf Ernst Wilhelm van Bentheim en zijn eerste vrouw Gertrud van Zeist en haar kinderen, die uit dit huwelijk gesproten waren.

 

Onder dwang van de ook in onze Vaderlandse Geschiedenis zo bekende Munsterse Bisschop Bernard van Galen werd Graaf Ernst Rooms-katholiek. Het huwelijk werd ontbonden en Gertrud van Zeist moest met haar kinderen naar Nederland vluchten. Stadhouder Willem III heeft voor de verstotene en haar kinderen alle pogingen aangewend, die konden strekken tot erkenning van haar 3 zoons als toekomstige graven van Bentheim. We memoreren dit een en ander ten bewijze van de nauwe banden tussen Bentheim en Nederland. Ook de handels betrekkingen tussen beide landen waren er van oudsher vele.

De rivier de Vecht was in die tijd nog bevaarbaar tot Nordhorn toe en zo konden ook de Bentheimer zandstenen door de Vecht en verder over de Zuiderzee vervoerd worden naar Amsterdam voor het toenmalige Raadhuis, thans het koninklijk Paleis op de Dam. Dit is n.l. geheel van Bentheimer zandsteen gebouwd. Dus wel een bewijs hoe levendig die handel toendertijd was.

 Zoals we de vorige keer reeds opmerkten werd de Vecht door de jaren heen hoe langer hoe minder bevaarbaar. De Gouden eeuw liep ten einde. Oorlogstoestanden en ook andere omstandigheden deden hun invloed gelden, zodat de handel in Bentheimer steen snel afnam. Zo erg dat één van de opvolgende Graven van Bentheim in zo’n slechte financiële positie kwam dat hij in 1752 geld opnam van de Koning van Hannover tegen verpanding van zijn land. Dit hield in dat, wanneer het opgenomen geld binnen een gestelde termijn niet aan de Koning van Hannover was terugbe­taald, deze dan het Graafschap Bentheim in bezit mocht nemen.

We komen hierop nog nader terug. Een bijzonderheid uit die tijd van de straks genoemde Graaf Ernst Wilhelm was dat hij Ds. Johan Picard verzocht om een plan tot ontginning van een complex gronden, gelegen tussen Veldhausen en de Nederlandse grens te maken. Deze Picard was toendertijd dominee te Coevorden en ook medicus. Hij is vooral bekend door zijn boek over Drentse antiquiteiten. Genoemde Picard heeft niet alleen een ontginningsplan voor genoemde streek gemaakt, maar heeft ook bewerkt dat gegraven werd het thans bestaande Alte Picardiekanaal, dat naar hem genoemd is. Wie heden ten dage deze streek bezoekt, ziet nog de kavels, de indeling van de boerderij, zoals Picard die gemaakt heeft. Zijn methode van ontginning is b.v. een voorloper van de dalgrond ontginningen in onze omgeving. Hij is de eerste geweest in deze omgeving, die aan grondmenging deed. Hij heeft daarover geschreven en in zijn tijd als “Probatum est” aanbevolen. We mogen hierbij even opmerken dat dit navolging heeft gevonden. We herinneren ons nog uit onze jongens jaren dat ook in ons dorp deze, alhoewel primitieve grondmenging, plaats vond.

Een eeuw á anderhalve eeuw geleden is men ook hier daarmee begonnen. Wanneer enige veenputten vergraven waren, werd de ondergrond iets los gemaakt en geslicht (vlak gemaakt) en deze ondergrond nog niet met zand, zoals dat later en ook nu nog bij dalgrond ontginningen gebeurt, maar met rodolmige  “oergrond" vermengd. Men had toen nog geen kunstmest. In deze oergrond zat fosforzuur dat het grasbestand bevorderde, inzon­derheid de witte weideklaver.

Na dit uitstapje vertellen we u iets over de overgang van het Graafschap Bentheim naar Hannover. Maar daarover een volgende keer. 

 

januari 1968

 

Graven van Bentheim, Koningen van Hannover, Grenstractaat 1824.

 

De elkaar opvolgende Graven van Bentheim hebben veel moeite gedaan om hun land onder het pandschap van Hannover weg te krijgen, maar dat is een zeer slepende zaak geworden. Hieraan hebben naar onze mening de gebeurtenissen in de laatste 25 jaren van de 18e  eeuw veel invloed gehad met name de voorboden en ook inzonderheid de Franse revolutie zelf.

Na het bekende Weense congres zijn dan ook definitief de Hannoveranen in plaats van de Bentheimers onze Zuiderburen geworden. Wanneer men oorkonden uit de Franse revolutie tijd en daar vlak voor in handen krijgt, we bedoelen hiermee officiële stukken, dan hebben de Hannoveranen altijd deze ondertekend als pand beheerders.

Na het inlijven van de Graafschap Bentheim hebben de Koningen van Hannover zich dan ook rechtstreeks als landheren van het vroegere Bentheim laten gelden. Op allerlei gebied kwamen er Hannoverse wetten en verordeningen die de vroegere Bentheimse gingen vervangen. De wetgeving en rechtspleging veranderde. Op het gerechtsgebouw in Neuenhaus staat dan ook in de muur aangebracht het wapen van de Hannoverse Koning.

Uit deze tijd stamt dan ook het al eerder door ons genoemde grenstractaat, tot stand gekomen in 1824. 

  

februari 1968

 

Grenstractaat met Hannover.

 

Aansluitend aan ons vorig artikel zouden we op het toen genoemde grenstraktaat nog nader willen ingaan en trachten het voor onze lezers te verduidelijken.

Uit de vaststelling van dat traktaat blijkt, dat wat onze zuidgrens betreft, het Schoonebekerdiep als grens werd aangenomen en nieuwe grensstenen om het ander aan de Nederlandse en Hannoverse zijde van het diep geplaatst werden, waar op de Zuidzijde een H en op de noordzijde een N.

De nieuwe grens werd heel zorgvuldig en nauwgezet in kaart gebracht. Landmeters van weerskanten hebben hier veel en mooi werk geleverd. Dit blijkt uit de toen gemaakte kaart(en) en nauwkeurige omschrijving van de nieuwe vastgestelde grens. Als we deze kaarten (thans nog aanwezig) bekijken, blijkt het dat er aan de Nederlandse zijde nog geen kadastrale kaarten aanwezig waren, evenmin was dat aan de Hannoverse zijde het geval. Op de kaarten komen van de aan het Diep gelegen percelen in heel duidelijk maar klein schrift alleen de namen van de grondeigenaren voor die met hun grond aan weerskanten van het Diep grensden. Er is dus van kadastrale nummers nog geen sprake. Bij nader onderzoek naar het ontstaan van het kadaster in deze omgeving is komen vast te staan, dat deze kadastrale kaarten met bijbehorende leggers in het tijdvak van 1830 - 1840 in orde zijn gekomen.

 

Heel aardig is het na te gaan wie van de grenspercelen aan Nederlandse zijde de eigenaren waren. Interessant is het deze namen van de eigenaren vanaf Coevorden tot aan Twist na te lopen. Het is ons daarbij opgevallen dat een groot gedeelte van deze gronden nog in dezelfde familiehanden zitten.

Echter aan de oostgrens van dit gebied zijn er al enkele namen bij die er op wijzen dat men toen al begonnen was met de verkoop door de boeren uit ons dorp van hun nu onder Nieuw-Schoonebeek gelegen gronden, de vroegere booën. Hieruit blijkt tevens dat die booën onder de vroegere Marke of liever gezegd het oude betwiste gebied verdeeld waren. Nu kon er wat meer orde op zaken gesteld worden. In de plaats van het oude karrenspoor van de Ellenbeek oostwaarts kwam er een weg of zoals men het in die tijd noemde “een diek”. Daarnaast kwam er ook naast die diek een voetpad. Er waren echter ook gedeelten bij waar dit voetpad niet langs de weg werd aangelegd, maar meer in noor­delijke richting van west naar oost. Het eerste gedeelte in het vroegere stroomgebied van de Ellenbeek, waar nog geen booën aan­wezig waren, moesten door de eigenaren van de boo percelen onderhouden worden.

Om dat te verwezenlijken kregen alle boo percelen een gedeelte van die diek te onderhouden. Elk kreeg er zijn onderhoudspand. Vandaar ook dat door onze oudere ingezetenen deze diek door hun heden ten dage nog wordt aangeduid als de Pandiek.

Bij die verdeling van de Marke blijkt duidelijk dat men er landmeetkundigen bij gehad heeft. Het is ons namelijk bekend, dat, toen de hele zaak uitgemeten en verdeeld werd, bij die meting de boereneigenaren als kettingtrekkers hebben gefungeerd, maar dat er een onpartijdige aanwezig is geweest, die tenslotte de beslissing had.

   

april 1968

 

Uitmeten booplaatsen en verkoop van deze.

 

Dat werk van deze laatste onpartijdige moest dus betaald worden maar het geld was zeer schaars. Hij heeft er dan ook mee ingestemd dat er in plaats van betaling in geld, enige percelen grond aan hem werden afgestaan.

Datzelfde is ook het geval geweest met de toenmalige plaatselijke caféhouder alhier. Natuurlijk is er in dit café over deze verdeling heel wat vergaderd en gepraat. Toen alles dan ook in kannen en kruiken was kreeg ook de caféhouder zijn vertering betaald met enig grondbezit. Men was nu in zoverre klaar dat ieder der gerechtigden nu een deel van de gezamenlijke grond toebehoorde, want ieder wist na deze verdeling wat het zij­ne was. De Ned. Herv. Kerk kreeg ook haar deel en daarnaast wer­den ook in het Oosten van Nieuw-Schoonebeek smallere percelen uitgemeten waarop zich kleinere boeren konden vestigen of zoals ze toen heetten kötters of keuters. Dit gedeelte van Nieuw Schoonebeek draagt nog altijd de naam stât. Naar onze mening is het verkeerd dat men hier denkt aan het woord stad, maar dat met dit stât bedoeld wordt de staart. Op de vroegere booën werd veel rundvee gehouden; meer spottenderwijs sprak men bij deze keuter percelen niet van rundvee maar alleen van de staart van het rundvee (de koestât).

Nu ieder van de vroegere gezamenlijke eigenaren van het gebied Twist dat zich uitstrekte van de genoemde Ellenbeek tot ongeveer aan de oostgrens van Nw.Schoonebeek het zijne had, hadden onze Schoonebeker boeren de gelegenheid de boo plaatsen te gaan verko­pen. We hebben al reeds gezegd dat bij de vaststelling van het grenstraktaat al enige gronden in eigendom toebehoorden aan Duitse kolonisten die vlak over onze tegenwoordige oostgrens bezit­tingen hadden. We menen hieruit het bewijs te mogen putten dat tussen 1811 en 1824 het boerengebied, het tegenwoordige Nieuw ­Schoonebeek, is verdeeld geworden.

Uit oude gegevens van het archief in Assen blijkt dat het in 1811 nog onverdeelde grond was. In die onverdeelde ruimte stonden dan de boo-hutten op de rij af, hier en daar verspreid in de groenstroken langs het Schoonebeker diep, waarvan er nu nog een enkele aanwezig is. De z.g. Marke alhier is dus al vroeg verdeeld in onderscheiding van de andere Drentse Marken, die later en sommige veel later tot gehele of ge­deeltelijke verdeling van hun gronden zijn overgegaan. We hebben dan ook in de later tot stand gekomen kadastrale kaarten van Schoonebeek niets van onverdeelde markegebieden kunnen aantreffen, behalve enkele oude toegangswegen tot enige booën, die in de oudste kadastrale kaarten nog op naam stonden van de Marke van Schoonebeek. Bij latere herziening van de kadastrale kaarten is ook deze laatste herinnering aan de Marke verdwenen. Sommige van die toegangwegjes tot de vroegere booën zijn nog aanwezig maar staan nu op naam van de aangrenzende eigenaren links en rechts. Gaan we verder de ontwikkeling van het tegenwoordige Nieuw Schoonebeek na, dan blijkt ons dat de verkoop van deze booën of Markegronden na de verdeling hebben plaats gevonden. De na-Napoleontische tijd was slecht en men deed successievelijk zijn gronden van de hand. De kopers waren bijna uitsluitend Duitse kolonisten uit het z.g. oude Munsterland. Deze gingen zich eerst heel primitief in de oude booën, enigszins verbouwd, vestigen. Deze vroegere Munsterlanders waren allemaal de Rooms-katholieke godsdienst toegedaan. Daaruit is te verklaren dat vroeger het dorp Oud-Schoonebeek (nu Schoonebeek) uitsluitend protestants was en het latere Nieuw- Schoonebeek Rooms-katholiek. De genoemde Duitsers bleven in onze gemeente hun Duitse nationaliteit behouden. Een volgende geslacht was heimatlos. Van naturalisatie was toen nog geen sprake, zodat eerst het derde geslacht van die kolonisten als Nederlanders te boek stonden.

.

 

  mei 1968

 

Veenbranden en boekweitveen.

 

Uitgangspunt van het laatste artikel over de historie van onze gemeente was de verdeling van onze boo en/of Markegronden gelegen in het tegenwoordige Nieuw-Schoonebeek. In vergelijking met andere markegronden in onze provincie werden de gronden alhier vroeg verdeeld. Naar onze mening was de oorzaak hiervan deze: 

De teelt van de veenboekweit had in deze omgeving ingang gevonden. Deze vrucht was hier voordien onbekend. Door de kruisvaarders die terugkwamen uit het Heilige Land en vanuit Oost Europa is deze vrucht hierheen gekomen en men had er goede resultaten mee. Vandaar dat al onze boeren zich op de­ze boekweitteelt gingen toeleggen. De verbouw had plaats op het bovenveen. We bedoelen hiermee onvergraven veen dat in grote hoeveelheden in onze omgeving aanwezig was. De aanleg gebeurde op kampen, d.w.z. men greppelde akkers uit in het veen, van ongeveer 100 m. lang en ongeveer 8 m. breed.

De eerste bewerking gebeurde met de hak, één slag met die hak schuin links en één slag schuin rechts, een derde slag midden voor, dus met 3 man. Zo werd de bovenste laag van dit veenland on­dersteboven getrokken. Was de eerste akker 100 bij 8 m. klaar dan kwamen de volgende percelen aan de beurt tot men een z.g. boekweitkamp klaar had in eerste instantie. Dit veenhakken had gewoonlijk in de winter plaats. Het werk gebeurde vaak met behulp van de buren of wel met dagloners. Was dit gehakte veen in het voorjaar voldoende droog dan werden de grote stukken fijner gemaakt. Dit noemde men het doorhakken. De fijn doorgehakte grond had nu de gelegenheid om nog meer op te drogen.

Was het bovenste laagje voldoende droog geworden dan kwam het veenbranden aan de orde. Een mooie heldere dag met een gunstige windrichting werd voor dit branden uitge­zocht. In een z.g. vuurpot werden droge stukjes veen verza­meld tot hij ongeveer vol was. De vuurpotten waren hol en van ijzeren banden.

De droge stukjes veen in de pot werden in brand gestoken en men ging al schuddende met de pot aan de windzijde over het doorgehakte land, en dan lukte het meestentijds dat het vuur zich zodanig verspreidde dat het bovenste laagje van het doorgehakte land verbrandde. Wanneer deze arbeid op het z.g. bolsterveen (wit veen) gebeurde, dan verbrandde alleen het bo­venste laagje omdat de ondergrond zo sponzig nat was dat daar het vuur doofde. Gevaarlijker werd dit branden wanneer dit gebeurde niet op het bovenveen maar op het z.g. dargveen. Daar was het vuur heel wat moeilijker uit te krijgen en brandden er soms diepe gaten in de grond. Op zodanige dargpercelen komt hier en daar thans nog de rode as van die diep ingebrande delen te voorschijn. Was echter het vuur geblust dan werd in de as het boekweitzaad gezaaid. Men kon met heel weinig zaad toe. De vroegere echte boekweitverbouwers spraken dan ook wanneer de boekweitplantjes uit de grond kwamen van zeven spier onder de wan. Dan stoelden de planten zich wel zodanig uit dat er bij gunstig weer, een flinke verbouw te wachten stond.

En wat was het zomers een mooi gezicht een bloeiend boekweitgewas, daarbij met mooi weer een luilekkerland voor de bijen. We herinneren ons nog uit onze prille jeugd dat, wanneer dat branden van dat boekweitveen plaats had, dat er over ons dorp en omgeving een zodanige rook (smoor) hing dat men bij helder weer de zon niet kon zien. En niet alleen buiten maar ook in huis kon men die veenbrand echt ruiken.

Vooral de huisvrouwen hadden een hekel aan die walm, de was werd geel en ook de mooie meidagen werden bedorven. Want gewoonlijk was de laatste week van mei soms ook de eerste van juni de tijd van dit veenbranden en tijd van zaaien. Werd het nieuwe ontgonnen veen met de hak klaar gemaakt, hetzelfde land kon het tweede en volgende jaren met de ploeg ondiep bewerkt worden. Ieder volgend jaar zorgde men dat er iets dieper werd geploegd zodat er dan weer een nieuw vers laagje veen uit de ondergrond naar bo­ven kwam. Dit werd dan weer geëgd om het te laten drogen zodat het veenbranden weer kon plaats vinden. 

Dit gebeurde zo ettelijke jaren achter elkaar tot het veen, zoals men dat noemde uitgeboekweit was. Wilde men daarom de teelt van veenboekweit volhouden dan moest er iedere winter weer een nieuwe kamp veenland gehakt worden. De veengrond die niet meer geschikt was voor boekweitteelt bleef weer liggen en ging weer tot heideveld over.  De greppels echter bleven en zijn vandaag nog op het niet verveende van de veengronden te onderscheiden. Bij nadere beschouwing van de greppels blijkt dat die veenboekweitteelt van 1½  eeuw geleden tot ongeveer het jaar 1900 een grote omvang had aangenomen.

Vandaar dat er ook boekweitmarkten ontstonden heel vroeger, die van Coevorden was heel bekend. Anderzijds heeft deze teelt van boekweit aanleiding gegeven tot twisten die soms heel hoog liepen b.v. tussen de veenmarken van Schoonebeek en van Noord en Zuidbarge.

De boekweit was derhalve een nieuw soort koren voor eigen gebruik en voor de handel.

Hierover en over de grensgeschillen tussen de verschillende veenmarken hopen we u de volgende keer te vertellen.

 

. augustus 1968

 

Op het hoogveen, trippen en strowissen.

 

We komen nog even op die veenboekweitcultuur terug. Vooral in natte jaren was de sponzige hoogveengrond moeilijk te bewerken in die zin dat de veenbodem dan paard en wagen niet dragen kon. Beide zakten er in weg.

Daarom hadden de boekweitverbouwers de paarden van zgn. trip­pen voorzien. Was het erg nat, dan kwamen onder de vier hoe­ven een plankje of trip. Die trippen bestonden uit vierkante plankjes, waarvan de hoeken afgezaagd werden. Op deze plank werd een ijzer bevestigd in de vorm van een paardenhoef, ter­wijl aan de achterkant er een leren lus aanzat. Door die lus kwam een brede leren riem die moest passen om de paardenkoot, terwijl er aan de voorzijde nog een klein riempje was, hetwelk de sluitriem en het aangebrachte ijzer in de hoekvorm verbond. Bij minder nat weer werden er 2 trippen gebruikt, alleen aan de achterpoten.

Ook de wagenwielen werden met strowissen omwonden.

We vermelden dit even, om aan te tonen hoe moeilijk vaak de bewerking van het hoogveen en ook het vervoer van de boekweit was. Toch werd er veel gebruik van gemaakt dit nieuwe gewas te telen.

De veenboekweit gaf vaak een grote opbrengst, terwijl ook het boekweitstro als veevoeder nogal gewild was.

We hebben u een vorige keer al verteld, dat al deze veengebie­den in onze omgeving voor die boekweitteelt zijn gebruikt, niet alleen dat de gevestigde boeren er druk aan deden, maar ook de arbeidsmensen van die tijd gingen er toe over.

Het hoogveen werd dan verhuurd om het zo genaamd uit te boekweiten.

Gronden die voorheen voor de vogeltjes lagen, kregen nu hun waarde. Dit is dan ook de aanleiding geweest tot geschillen over de gronden onder Schoonebeek en die van Noord en Zuid-barge.

De Schoonebekers beweerden dat hun veengronden zich in noordelijke richting uitstrekten tot wat nu nog altijd heet de Noordersloot, de noordelijke grens van het tegenwoordige Amsterdamseveld. De Noord- en Zuidbargers waren van een tegen overgesteld gevoelen en meenden dat de grens van hun veengebied zich uitstrekte tot even ten noorden van de Schoonebeker bouwakkers.

Het verschil liep zo hoog, dat het een proces werd. Een pro­ces dat jarenlang heeft geduurd, alle rechtsinstanties heeft doorlopen, totdat het bij de Hoge Raad kwam, ons hoogste rechtscollege.

Die bindende uitspraak, nu een honderdtwintig á dertig jaar geschied, is nog hier en daar bij de oude families van de vroegere grondeigenaren alhier aanwezig. Er komt in voor o.a. dat van de tegenwoordige hoofdweg eerst moest worden gemeten in noordelijke richting bij de Herv. Kerk zo en zoveel meters en daar moest dan een vast punt komen. Een tweede dito meting moest plaats hebben bij de Ellenbeek en een derde oostwaarts langs de Duitse grens. De uitkomsten van die drie metingen, beginnende aan de Hoofdstraat (Europaweg) wat betreft de aantallen meters, staan ons op dit ogenblik niet ten dienste.

Vanaf de drie punten werd toen een lijn getrokken en dat werd toen de grens van het Schoonebeker gebied en de marke van Noord en Zuidbarge. Deze grens heet nu nog altijd de Zuidersloot.

De Schoonebekers hebben dus uiteindelijk het proces verloren en het gebied tussen Zuider en Noordersloot werd toegewezen aan de Noord en Zuidbargers. Deze laatsten hebben dit complex veengronden echter niet lang in eigendom gehad.

Ze hebben het verkocht aan Amsterdamse heren. Vandaar de naam Amsterdamseveld.

In navolging van wat ook al met de Smilder venen geschied is, kwam dus ook dit veengebied in vreemde handen.

Deze heren uit Holland zijn toen begonnen met de exploitatie van dit veengebied.

Er werd met turfgraven begonnen, kanalenaanleg enz.

Ze hadden voor al die werkzaamheden mensen nodig, die er ver­stand van hadden.

Er werd een directeur gevonden in de persoon van de heer L.B.J. Dommers, die de vervening had geleerd bij de firma Bril in Neuenhaus.

Hij kwam te wonen in het Amsterdamseveld in de villa die nog altijd bestaat. We bedoelen Huize La paix, thans bewoond door notaris Heerma van Vos.

Toen Schoonebeek in 1884 een zelfstandige gemeente werd, werd de heer Dommers naast directeur van het Amsterdamseveld ook burgemeester van Schoonebeek. 

 

september 1968

 

Schoonebeek onderdeel van Dalen. 

Eerder was Schoonebeek een onderdeel van de gemeente Dalen. We hebben ons wel eens afgevraagd waarom bij de totstandkoming van de burgerlijke gemeenten Schoonebeek een onderdeel van Dalen is geworden, alhoewel het maar voor een heel klein gedeelte aan het tegenwoordige gebied van Dalen grenst. 

We hebben er deze oplossing voor. Schoonebeek is met uitzondering van de Napoleontische tijd vroeger nooit een eigen schultambt geweest, maar behoorde dan eens tot het gebied van de Schulte van Coevorden en vooral in de latere tijd tot dat van Dalen. Dus zal het zo geweest zijn dat bij de totstandkoming van de burgerlijke gemeenten wij als Schoonebekers behoorden tot het Schultambt Dalen en dientengevolge een onderdeel, van de gemeente Dalen zijn geworden. Misschien komen wij nog wel eens nader op de splitsing Schoonebeek  Dalen terug.

Vooraf menen wij over de veenboekweit nog niet volledig te zijn geweest en willen in een volgende aflevering van onze hystorische gegevens eerst nog iets over die boekweit vertellen.

 

 

Oktober 1968

 

Boekweit verbouw, aanvoer markt te Coevorden. 

Zoals we de vorige keer beloofd hebben, komen we nog nader op de boekweitcultuur terug. Dat de boekweitverbouw grote afmetin­gen ging aannemen, hebben we u reeds duidelijk gemaakt; n.l. dat het hele hoogveengebied voor verbouw werd aangewend. De wijze van verbouw hebben we ook al getracht u duidelijk te maken. We zouden nu nog wat dieper willen ingaan op de moeilijkheden, die zich bij deze verbouw voordeden, vooral in natte jaren. Als de boekweit op het land gerijpt was, moest ze worden ge­maaid. Dit gebeurde met de zeis, achter de maaier kwam dan een tweede man, die het gemaaide product met in de ene hand een welhaak en in de andere hand een harkje op z.g. wiepjes legde. Deze wiepjes moesten dan wat drogen, bij nat weer nog eens gekeerd worden. Gebonden vaak met z.g. dichte koppen om het zaad dat nogal bij een ruwe bewerking verloren wilde gaan bijeen te houden. Als zeel (bindmateriaal) werd dan roggestro gebruikt. Dan worden de opgebonden wiepjes twee aan twee naast elkaar gezet en dan wordt er gewacht op een boekweite-zomertje, zoals 't in die tijd heette.

Bij voldoende droogte werd ze naar de boerderij vervoerd en op de zolder (balken) gevat. Boekweit kon nogal zwaar zijn en zodoende is er toendertijd zelfs in een Schoonebeker boerderij een gebint door de zware last bezweken.

Er waren ook boeren die niet over voldoende opslagruimte beschikten en die dan een dorskleed mee namen naar het land van verbouw en daar op het kleed de boekweit gingen dorsen met de vlegel of met de stok. Dit laatste had in een natte periode deze voordelen dat en het zaad en het stro ieder apart kon wor­den vervoerd.

Het is ook nogal veel voorgekomen dat deze boekweitteelt door ondernemers, vaak kleinere veenboertjes op de z.g. vierde die boekweit gingen verbouwen. We herinneren ons dat dit b.v. nogal veel is voorgekomen op de hoogveengronden van de Drentse landontginningmaatschappij.

We hebben een vorige keer reeds verteld dat Hollandse heren het vroegere betwiste gebied tussen de Zuider en Noordersloot van de volmachten van de Bargerboeren hadden gekocht. We vertelden u zojuist van de boekweitverbouw op een vierde, d.w.z. dat het gepachte veen niet met geld werd betaald, maar met een vierde van de opbrengst. 

Was de boekweit geoogst dan moest, voordat deze ter markt kon worden gebracht of ter verkoop kon worden aangeboden, van de z.g. zaadkafjes worden gereinigd. Bij grote hoeveelheden ge­beurde dit reinigen door het boekweitzaad b.v. op de deel op een zekere dikte uit te spreiden en dan met schone, liefst platte klompen links en rechts door dit laagje heen te trappe­len. Bij een kleine hoeveelheid gebeurde dit in een tobbe of houten vat.

Om te zien of de boekweit voldoende van de kafjes gereinigd was, werd er een hoeveelheid in de hand genomen en door flink te blazen kan men het resultaat waarnemen.

Nog één keer in de wan of windmolen (kafmulle) en het was klaar voor eigen gebruik of om te worden verkocht. We hebben vaak gehoord dat o.a. in Coevorden veel van dit koren in de herfst op de markt kwam en daar gerede kopers vond.

De oude boeren vertel­den wel eens dat de kooplui gewapend met een dikke stok, deze eerst flink nat maakten en daarna in het zaad staken. Dan kon­den ze zien hoeveel onkruidzaad er aan de stok bleef hangen. 

 

november 1968

 

Boekweiten pannenkoek, kippenvoer, malen en builen. 

De laatste keer zijn we geëindigd met te vertellen dat er veel boekweit op de markt in Coevorden werd verkocht.

De boeren en boertjes hielden zelf echter ook een gedeelte van de oogst. Zo nu en dan werd in een zogenoemde ponge (hoeveelheid) naar de molenaar gebracht en kwam dan te zijner tijd als boekweitmeel en zemels terug.

De boekweitpannenkoeken, van zuiver boekweitemeel gebakken, golden voor een echte traktatie. In vele gezinnen kwam deze pannenkoek eenmaal per dag op tafel.

Ook bij het gras maaien, wat natuurlijk alles met de zeis moest gebeuren, golden onze pannenkoeken voor de maaiers als middagmaal. Vaak kwam er dan op zo'n pannenkoek een plakje spek. Ook de boek­weitpap werd in vele gezinnen dagelijks gegeten.

We hebben een en ander uitvoerig medegedeeld om daardoor duidelijk te maken dat de boekweit met of zonder spek in die tijd een voornaam volksvoedsel was.

Daarnaast kwam het veel voor dat ook deze vrucht, vaak met haver gemengd, als kippenvoer werd gebruikt. Nog in deze tijd zijn op sommige boerderijen grote eiken kisten aanwezig, veel groter dan de klerenkisten uit die tijd.

In deze grote kisten bevond zich een tussenschot die de kis­ten in  twee helften deelde. In de ene helft zat dan een voorraad boekweit, in de andere dito haver voor de kippen.

Uit een en ander zal wel duidelijk zijn geworden, dat in die tijd de boekweitverbouw van veel betekenis was.

In de eerste jaren dat in deze omgeving boekweit werd verbouwd, werd deze alleen gemalen en moest deze dan vervolgens door de boer zelf of nog vaker door zijn vrouw met een zeef bewerkt worden om daardoor het fijne meel of de bloem van de bassen (zemels) te scheiden. Later kwam bij de molenaar de builkist in zwang. 

Deze builkisten had men eerst in de graafschap Bentheim maar werden later ook hier in de molens aangebracht.

Dit z.g. builen, namelijk het scheiden van bloem en zemels, deed iedere molenaar niet even goed. Het scheen nogal een werk te zijn waar veel aandacht aan moest worden besteed.

Een expert in dit builen was de nu hoogbejaarde molenaar J. Ensing te Nieuw-Schoonebeek, die in zijn jeugd en verde­re jaren tot grote voldoening van de klanten dit werk ver­richtte.

Het malen en later ook inzonderheid het builen van het ko­ren vereiste vakmanschap. Niet alleen het malen maar ook het billen (het scherp maken van de maalstenen) was lang niet ieders werk. Ook is het ons bekend dat malen tussen zogenaamde kunststenen niet bevorderlijk was voor het ver­krijgen van goede zachte bloem, maar dat men dan gebruik moest maken van zogenaamde blauwe maalstenen. In die stenen werden dan bij het billen waaiervormige groeven met de bilhamer geslagen. We hebben wel eens gehoord dat het maar enkele molenaars gegeven was deze maalstenen zo te scherpen dat dit evenveel gewicht in de schaal legde als het malen zelf.

Beide, malen en builen, was in vroegere tijd vaak het geheim van de goede molenaar. 

  

December 1968

 

Kerkgeschiedenis van Schoonebeek en Drenthe (dr. Ybema.) (V)

Kerkvergadering te Rolde. Reformatie. 

In 1598 waren er nog priesters in functie (totaal 40). Van hen verklaarden er 3 of 4 zich tot de nieuwe leer te willen voegen, de rest werd ontslagen.

Op de eerste kerkvergadering te Rolde, augustus 1598, waren van de acht aanwezige predikanten 2 à 3 in Drenthe gevestigd. In Anloo werd in 1601 de tweede kerkvergadering gehouden, ook onder leiding van Groninger predikanten.

Er waren toen totaal vier samenkomsten van de classis geweest in onderling verband.

In het klooster van Assen werd in november 1602 onder leiding van Menso Alting, raadsman van de stadhouder, besloten het gewest in 3 classis te verdelen. Dit werden Meppel, Rolde en Emmen. Deze 3 classis zouden eenmaal per jaar een classis genralis houden, De stadhouder wilde hen bij Groningen voegen, maar 't Landschap was hiertegen.

Na 1604 kwamen de Drenthen niet meer op de generale synode van het gewest Groningen. Langzaamaan onttrokken ze zich aan het toezicht van Groningen.

Hoe ging het in Schoonebeek?

In 1593 werd hier geplunderd; dit was geen kleinigheid.

In 1672 werd Schoonebeek door de soldaten van de bisschop van Munster (Bommen Berend) geplunderd, o.a. werd toen de kanselbijbel gestolen en in 1677 hadden, bij de kerk visitatie, de burgers nog geen geld om een nieuwe bijbel aan te schaffen! (Althans, dit gaven ze op als excuus.)

Jhs. Bredewech, van pastoor predikant geworden, werd geëxamineerd, samen met de pastoors van Vledder en Roswinkel op 12 augustus 1598.

Ze verklaarden de nije leer aan te hangen. Maar ze zakten voor hun examen voor de classis. Het examen bestond in een eenvou­dige uitlegging van een tekst.

Daarna mochten ze alleen de catechismus voorlezen aan de ge­meente of preken van een goede schrijver.

Ze mochten niet zelf preken of de sacramenten bedienen.

In de vergadering der classis van 12 september 1600 werd onze Bredewech (Latavianus in het Latijn) aangenomen en volledig bevoegd predikant. In 1609 was hij nog te Schoonebeek en is vertrokken naar Meppen.

Hij heeft het zeer moeilijk gehad, daar de gemeente nog in opbouw was.

Er waren nog geen lidmaten, dus ambtsdragers waren moeilijk te vinden. De meesten hielden zich op de vlakte.

Het was oorlogstijd en zolang de strijd nog niet beslist was, was het veiliger je niet te veel bloot te geven. Trouwens, in het bevrijde gebied der 7 provinciën was slechts 10 % de nije leer met hart en ziel toegedaan.

De grote massa was nog Rooms, al deden ze er niet zo veel aan. Ze hielden zich op de vlakte. De 10 % was het zoutend zout der natie.

In 1630 waren er nog maar 16 lidmaten in Schoonebeek!

Bij de visitatie van 1624 was er nog geen onderwijzer in Schoonebeek en was hier ook nog nooit geweest, zeiden de burgers.

Voorts was er ook geen koster.

Het lager onderwijs was aan de kerk overgelaten in de 16e  en 17e eeuw, bekostigd door de overheid.

De classis hadden de onderwijzers te onderzoeken in leer en le­ven en ook in kennis.

De schoolmeester was kerkdienaar en werd door de classis aangesteld. Vaak was er zeer ongeschikt personeel zonder opleiding en was het tractement armzalig.

De kinderen kwamen vaak niet;  's winters wegens de slechte we­gen en 's zomers wegens de grote drukte op het land.     

De opvolger, Ds. Johannes van Holle, kwam uit Duitsland en werd voorlopig toegelaten tot het ambt.

Het was oorlogstijd. De zeden waren er niet op verbeterd. Later werd hij geschorst wegens doodslag in Duitsland en uiteindelijk ontslagen, ondanks heftig verzet van de parochianen te Schoonebeek, die hem hogelijk waardeerden.

Op elke vergadering van de classis kwam een afvaardiging der pa­rochie, o.a. van de kerkvoogdij, die hun predikant als zeer vroom en zeer deugdzaam, als vast aangesteld wilden zien.

Ds. van Holle werd na zijn ontslag onderwijzer te Anloo, hetgeen de classis wel goed vond.

Hij heeft zich daar niet onberispelijk gedragen. 

De 3e predikant was Ds. Wangerpool, (Latijnse naam Wangen poleus). Deze werd zeer oud en is in 1650 met emeritaat gegaan. Hij was toen nagenoeg blind. In 1656 is hij te Schoonebeek overleden en begraven.

Hoe ging het in Schoonebeek de eerste jaren van de 17e eeuw?

Een opgewekt gemeenteleven was er niet. De predikanten klaagden, dat de leden hun kerkelijke bijdragen in natura, waar de predikants families van moesten leven, zeer slecht opbrachten. Dit moest vaak met de sterke arm van de Overheid (de Schulte).

Er waren te weinig lidmaten, dus een kerkenraad kon niet worden gevormd.

Wel ontstond er al spoedig een kerkvoogdij, die het beheer van de kerkelijke goederen overnam van de pastoor.

De middagdiensten waren zeer slecht bezocht, daar dit iets geheel nieuws was.

 's Morgens was er preek; deze werd goed bezocht, ook omdat daarna het nieuws werd voorgelezen door de koster (plaatselijk of van algemeen belang).

De middagdiensten waren door de classis sterk aanbevolen, daar hier de catechismus werd besproken en de parochianen hier horen konden, waarom de nije leer het bij het goede eind had. Ze hadden immers ook geen catechisatie onderwijs genoten.

Ook in Schoonebeek was het zeer slecht gesteld met het middag bezoek.

Er werd tenslotte alleen zomers maar meer een middagdienst ge­houden.

Een poging om de doopdiensten alleen tijdens de catechismus preken te houden, was ook mislukt.

Met horten en stoten kwam het gemeenteleven op gang. Het recht om de predikant te kiezen, het collatierecht, behoorde dan ook niet aan de gemeente (die er waarschijnlijk niet rijp voor was) maar het behoorde aan de bezitters van de Klencke, althans in Schoonebeek.

Vanaf 1700 werd het collatierecht uitgeoefend door Drost en Gedeputeerden van Drenthe en nog later door Z.M. de Koning der Nederlanden in de 19e eeuw.

Dit gaf vaak aanleiding tot strubbelingen. Vooral als de Gemeente zich wel mondig voelde en ook  in de tijd dat er verschillende richtingen in de Kerk kwamen, zoals in de 19e  eeuw. 

De 4e predikant kwam ook uit Duitsland,  Ds. J. Gerdinck. Hij was geboren te Dalen.  Hij werd in Emden geëxamineerd tot predikant en zonder Drents examen toegelaten te Schoonebeek. Hij overleed daar in 1658. 

De 5e predikant was ook een Drent,  Ds. Johannes Hoowingh. Hij vertrok naar Watsinge en werd daar emeritus, toen hij 77 Jaar oud was.

Zijn opvolger in 1684 was Ds. Henricus Fleck, tevoren koster en onderwijzer te Coevorden en studeerde te Groningen voor predikant. Hij vertrok in 1690 naar Hellum en werd daar emeritus.  

 

April 1969

 

Kerkgeschiedenis (dr. Ybema.) (VI)

 

In KERKESPRAAK van december hebt u kunnen lezen van de kerk­geschiedenis van Schoonebeek en Drenthe, geschreven door dokter IJbema. De historie is een onderwerp dat hem erg. inte­resseert Hieronder vindt u een vervolg.

 

Ook de opvolger van ds. Fleck - Egbert Stevens, was een Duitser, ditmaal weer uit de buurt. Stevens kwam uit Neuen­haus (Bentheim) en deed zijn intrede te Schoonebeek op 18 oktober 1690; hij overleed hier op oudejaarsdag 1701.

 

Zijn opvolger was Johannes Hardebergh. Deze stamde uit een bekend predikanten geslacht; hij had 2 broers die ook predi­kant waren. Hij werd te Diever geboren en kwam in 1703 in Schoonebeek en overleed hier in 1705 in de zomer.

 

Zijn broer ds. Jacobus Hardebergh volgde hem op in de herfst van 1705; Schoonebeek was zijn eerste gemeente. Hij vertrok naar Zweeloo in 1709. Hij overleed jong in 1716.

 

Johannus Pascheer volgde hem op. Deze werd geboren te Dwin­gelo en had eerst enige jaren als “vicaris", om een modern woord te gebruiken, de dienst waargenomen te Assen voor ds. Nijloë. Hij vertrok hier weer in 1717 en ging naar Borger.

 

De volgende predikant, Albertus Lankhorst, kwam ook weer uit een familie met veel predikanten. Hij werd geboren te Odoorn. Ook voor hem was Schoonebeek zijn eerste gemeente. Hij was hier predikant van 1717 - 1728. Hij overleed hier, ook nog jong. Zijn broers waren predikant te Roswinkel en Odoorn.

 

 

Lambertus Fledderus, afkomstig uit Vledder, stierf ook te Schoonebeek in zijn eerste gemeente op 41-jarige leeftijd. Het lijkt wel een ongezond oord voor predikanten. (in die tijd tenminste).

 

Johannes Hardebergh, zoon van Jacobus Hardebergh, die dus in Schoonebeek gewoond heeft toen de jongenskiel nog om zijn schouders hing, kwam hier in 1742 in zijn eerste gemeente en overleed in 1745 op 42-jarige leeftijd.

 Ds. Herman Boelen, geboren te Deventer, diende de gemeente van Schoonebeek van 1756 tot 1765. In Amsterdam werd hij be­vestigd als predikant voor West-Indië. Hij heeft in de West het ambt neergelegd en overleed in 1796.

 

 

 

 

 

 

juni 1969

 

Kerkgeschiedenis (dr. Ybema.) (VII)

 

Alvorens de lijst van predikanten te vervolgen, moeten we even vermelden, dat de bronnen zeer schaars zijn. Van de hervorming zal in de archieven der R.K. kerk of ka­pittel te Utrecht (bisschop) nog wel stof liggen. Hopelijk wordt dit nog eens bewerkt door dhr. Vrielink, die aan de ge­schiedenis van ons dorp werkt.

Bekend is wel, dat het oudste deel van de hele gemeente Schoonebeek het Westerse Bos is, met de boerderij van de "bis­schops boer" als bekend punt.

De bisschop van Utrecht had overal in Drenthe uitgebreide bezittingen en ook het kapit­tel van Sinte Mary had hier goederen.

      Uit de naam Sinte Maryland is het tegenwoordige "Smijland" ontstaan, een naam waard om behouden te blijven. Maar het heet tegenwoordig Europaweg no. zoveel. Zeer vreemd doet dit aan. Terwijl de nieuwe wijken met historische namen gesierd worden (de Westerlanden, Kooikerlaan, Kerfjes, Pienhoek) zijn de echte oude namen, die in de doopboeken der 17e  eeuw staan allen verdwenen, behalve het Middendorp, Westeinde, Oosteinde, zinvolle namen zijn alleen nog in een deel bekend en dan nog in de volksmond als Oosterse en Westerse Bos.

      Het wordt o.i. tijd, dat er wat gaat gebeuren, 't is nog niet te laat maar 't is een vreemde zaak: aan de ene kant dus de nieuwe straten sieren met oude namen en aan de andere kant de werkelijke eeuwenoude woonwijken de nek omdraaien door zeer moderne en zeker tijdelijke belangrijke naamgeverij.

      De club van de historievrienden heeft hier indertijd al op gewezen in een brief in de "Echo", maar 't is een "roepen als in de woestijn" geworden.

      Vanuit ons oudste bewoonde deel "het Westerse Bos", werd het Middendorp gesticht, waarbij de verschillende Middendorpse boerderijen inderdaad toebehoorden aan de eigenaren van het Westerse Bos.

Nog weer later werd het Oosterse Bos bevolkt toen er weer landhonger was.

      Zeer interessant is het "Kloosterbos", achter Smijland.

Hier heeft 't klooster niet gestaan, dat later naar Assen werd overgeplaatst, maar wat dan wel?

      Was er scheepvaart vanuit de Vecht mogelijk naar Schoonebeek? Hoe kwamen de grote Bentheimer stenen en kribben hier in zo'n grote getale?

Interessante vragen.

 

 

  

 

Maart 1970

 

Kerkgeschiedenis (dr. Ybema.) (VIII)

 

Ds. Herman Boelen werd opgevolgd door Johannes Conrad  Werndlij, geboren te Coevorden en in Schoonebeek predikant van 13 oktober 1765 tot 24 mei 1807.

 

Ds.Hendrik Folkers Gosselaar kwam in Schoonebeek in 1807. Hij leed aan zwaarmoedigheid en overleed door zelfmoord in 1827.

 

Ds.Herbertus Cornelis Schoten volgde hem op in 1828. Deze werd met veel feestgedruis ingehaald via de Wilmsbrug met versierde wagens en paarden. Hij kwam uit Emlichheim.

 

Enige jaren hiervoor was de “marke" opgeheven (plm. 1820) en werd de grond tussen de  Ellenbeek en Nieuw-Schoonebeek (grens) verdeeld (de marke). Dit gebeurde door toedoen van Jhr. van der Wijk, die ook het collatierecht bezat, dit is het recht de predikant te benoemen.

 

Ds. Scholten had moeilijkheden met de financiën. Een zoon wilde niet leren zoals dat heet en werd winkelier; een andere zoon werd later arts te Haaksbergen.

Ds. Scholten overleed in september 1838 en werd na zijn dood failliet verklaard, omdat zijn vrouw "de ijzeren koeien" niet terug kon betalen aan de Herv. Gemeente. (Een advocaat inde het geld toen via de zonen, kosten f 5,--).

 

Zijn opvolger was ds. Pieter Christiaan Froon in 1839. Eerst ging alles zeer goed, maar hij kreeg ruzie met de buren over allerlei kleine zaken (buurmans kippen die in de pastorietuin kwamen werden door de predikant neergeschoten); aan de andere kant (waar de kerk dus toen nog niet stond) ook ruzie over overwegrechten (schapendrift). 't Gevolg was dat de bevolking zich er mee bemoeide en de pastoriebewoners veel geplaagd werden. (dood paard op de stoep, w.c. inhoud in re­genton, poortje aan de straat bevuild op zondagmorgen toen de predikant naar de kerk ging en meer “fraais”).

      De dominee werd weg geplaagd en legde zijn dienst neer op 2 augustus 1857. Zijn afscheidspreek werd gehouden over de tekst "Wat verstand hebt gij van de dingen waarover gij u nu schaamt".

      Tijdens zijn ambtsperiode werd een nieuwe pastorie gebouwd. Een opvolger werd niet gemakkelijk gevonden, want elke beroe­pen predikant kreeg een berichtje van ds. Froon met inlich­tingen over de Schoonebeekers. Deze inlichtingen waren niet fraai.

 

.

 

 

 

 April 1970

 

Kerkgeschiedenis (dr. Ybema.) (IX)

 

Er kwam een nieuwe predikant in 1859 door het collatie recht, ds. Johannes Bleeker. Deze was vrijzinnig. De afscheiding heeft geen wortel geschoten in Schoonebeek, daar de predikanten rechtzinnig waren. Dit veranderde nu; allerlei rechtzinnige Schoonebeekers gingen naar Emmelkamp waar een afgescheiden gemeente was.

Ds. Bleeker had een spraakgebrek, was eerst medisch opgeleid. Eén van zijn zoons werd hoogleraar te Groningen, de ander pre­dikant te Franeker. Ds. Bleeker stond in Schoonebeek tot 1878.

 

De opvolger werd de eveneens vrijzinnige ds. Borgesius Sikkema. Deze heeft tegen de grootouders van de heer G.J. Wilms gezegd (die nog wel Hervormd waren, maar rechtzinnige prediking begeerden): "ga dan maar uit de kerk". Ze hebben dat gedaan toen!

Het feit dat door druk van buiten af hier een vrijzinnig pre­dikant werd beroepen (door het collatierecht dat toen door Koning Willen III werd uitgeoefend) heeft gewerkt dat vele Schoonebeekers, die een rechtzinnige prediking wensten de Hervormde kerk gingen verlaten. Het pad voor de Doleantie werd gebaand.

      Over de juistheid van deze verscheuring, die diep ingreep ook in ons dorp, zullen wij ons niet uitlaten. 't Is erg te betreuren en deze verdeeldheid is niet volgens Christus.

 

Een ieder achtte de ander uitnemender dan zichzelven. Ds. H.G.Tonsbeek was rechtzinnig, kwam hier in 1881 uit een beroemd predikantengeslacht. Eén van zijn zonen heeft ook Schoonebeek gediend in de 20e eeuw (n.l. ds. G.N. Tonsbeek 1908 - 1913)

     

De opvolgers van ds. H.G. Tonsbeek waren beiden ongehuwd:

 

 Ds.van Lelyveldt (1889 - 1892) en Ds. ten Bokkel Huinink (1894 - 1896)

 

Daarna kwam ds. I.C. van Hoeve in 1896; hij had een bijzonder aardige vrouw.

 

In 1902 kwam hier ds. Hovy, een zeer deftig man. Zijn schoon­moeder, een barones, werd hier op het oude kerkhof begraven.

      Bewaard is de foto van het oude St. Nicolaaskerkje, waar de dominee als herder zijn kudde voorgaat: de schapen en de bokken gescheiden.

Een foto van het oude kerkje, dat helaas werd afgebroken, is in ons dorp nog wel te krijgen.

      Een aan Nicolaas gewijde kerk kwam veel voor rond de oude Zuiderzee o.a. Amsterdam, Utrecht (Klaaskerk), Edam, Kuinre, Stavoren, Kampen, Elburg en Weesp. Dit wees op een verband met de handel.

      Zou in Schoonebeek vroeger de paardenhandel zeer belangrijk geweest zijn?

 

 

 

www.oud-schoonebeek.nl