1712 Uit Drenthes Geschiedenis

1712

 Losse bladen uit Drenthe's Geschiedenis verzameld door J.S. Magnin.

Brieven van Naturalisatie door het Landschaps - Bestuur van Drenthe. 1710 -1712.

 

De stellers van den Tegenwoordigen staat van Drenthe, over den aard en den inborst hunner gewestgenooten schrijvende, zeiden ten jare 1792 in hun werk "Eerlijkheid en spaarzaamheid zijn, in het algemeen, hoofdtrekken van het karakter der Drenthenaren. Beminnaars van hun vrij vaderland, zijn ze, mogelijk al te veel, gehecht aan oude gewoonten, niet zeer genegen tot nieuwe ondernemingen en al te zeer vooringenomen tegen belijders van andere godsdiensten, buiten de Hervormde.

Naar waarheid is door hen, in die weinige woorden, het karakter der landzaten van Drenthe geschetst. Zoo als ze destijds waren, zijn ze eeuwen en eeuwen achtereen geweest en gebleven, en zijn ze grootendeels nog. Gehecht aan oude gewoonten, ja wèl waren ze dat. Veel van hetgeen bij de oude Germanen wet, regel en gewoonte was, reeds in de eerste eeuw der Christelijke jaartelling, bleef tot in het begin van de tegenwoordige eeuw bij hunne Drentsche naneven onverbasterd voortduren. En wèl hadden deze, van ouds her, een vrij vaderland. De drenthenaren van vroeger en lateren tijd genoot meer regten, voorregten en vrijheden, dan iemand van zijne naburen. Slechts eene kleine proeve daarvan.

Elders is het volk ten platten lande zijne vrijheid verschuldigd aan de uitbreiding van de steden en van hare magt: in Drenthe werd geene enkele stad gevonden. In latere tijden geraakte in andere oorden de regering des lands in handen van de Ridderschap en de Steden, met uitsluiting van het volk in de landelijke plaatsen, grootendeels uit eigen- of horhoorigen bestaande: in genoemd landschap vond men geene eigene or horhoorige lieden; alle Drenthenaren waren vrijen, geen enkele van hen was slaaf, en toen de regering uit Ridderschap en Eigenerfden werd verzameld, kregen de adellijken eén, de onadelijken twee stemmen van de drie ter statenvergaderingen.

Alleen in Drenthe had de edelman en de boer gelijke regten, had de eerste niets op den laatsten voor, zelfs in den beginne, geen vrijdom van belastingen voor zijne havazathe. Geen Drenthenaar behoefde buiten de grenzen van het Landschap te regt staan; geen geestelijk of kerkelijk persoon had, zoo als elders, aandeel aan- of invloed op- het bestuur des lands; ze waren integendeel daarvan uitgesloten, en de Drenthenaren hadden moed genoeg, hoezeer ook de Bisschop van Utrecht zoowel hun Wereldlijk Graaf als hun Geestelijk Kerkelijk Opperheer was, om in het openbaar maatregelen te nemen en verordeningen daar te stellen, waardoor alle invloed der geestelijkheid op de aangelegenheden van het gemeene land werd belemmerd en geweerd.

Geene belastingen behoerde de Drenthenaar aan de Landsheer op te brengen, dan die hijzelve goedkeurde, want de Leden van Drenthe's Bestuur en Regelmaat werden, zonder aanzien van rang of stand, gekozen uit en door het Volk, dat het zeldzame voorregt genoot, door zijns gelijken geregeerd en gevonnisd te worden. Geen leenband verbond en onderwierp de Drentschen plattelandsbewoner aan de grooten en magtigen: in Drenthe waren allen vrij, allen gelijk; alleen grondeigendom, niets anders, had aandeel en stem in de regering en in het bestuur van het Landschap, het Dingspil, het Kerspil, de Marke, het Dorp en Gehucht.

In latere tijden werd er alleen als vereischt bijgevoegd, dat hij lidmaat van de ware gereformeerde kerk moest zijn. Belijders van andere godsdienstige gezindten werden van alles uitgesloten, somtijds gevolgd, naauwelijks geduld. De Drenthenaar was niet alleen vooringenomen tegen- maar zelfs soms onverdraagzaam jegens- andersdenkenden, en alle sporen daarvan - hij is en blijft steeds gehecht aan het oude - zijn nog niet verdwenen.

Was de landzaat van Drenthe ingenomen met - ja trotsch op - zijne regten en voorregten, hij was er tevens in hoogen raad naijverig op. Zelfs hervormden die van elders zich in het landschap hadden gevestigd, al hadden ze ook eene lange reeks van jaren in Drenthe gewoond en verkeerd en er aanzienlijke grondeigendommen verkregen, werden steeds uitheenschen en vreemdelingen geheeten en als zoodanig beschouwd en behandeld. Bij de minste pogingen van de zoodanige, om het even of ze al dan niet van adel waren, ten einde als Drenthenaren te worden beschouwd, met deze te worden gelijk gesteld en met hen gelijk gesteld en met hen gelijke regten en voorregten te bekomen, werden hun veelsoortige beletselen in den weg gelegd. Alleen ten opzichte van hen, die met Drentsche vrouwen waren gehuwd, schijnt men in sommige gevallen, echter niet dan schoorvoetende, eenigszins meer rekkelijk te zijn gevveest.

Geen wonder dat het, in dien stand van zaken, voor van elders ingekomenen hoogst moeijelijk ja onmogelijk was, om gelijkstelling met de inboorlingen te verkrijgen. Slechts één enkel geval is ons voorgekomen, waarin Drenthe’s Regering is afgeweken van hetgeen ze, ten gemelden opzigte, zich tot schijn te hebben gesteld gehad.

In het jaar 1685 kwamen, ten gevolge der opheffing van het Edict van Nantes, eenige hervormde vlugtelingen (Rerugies) met Isaac Dusoul, vroeger Predikant te Fontenay-leComte, in Poitiu, uit Frankrijk naar Drenthe over. Op het voorbeeld van den toenmaligen Drentschen Drost Elbert Anton Baron van Pallandt en zijne echtgenoot Walburgh Baronnesse van Heeckeren, op de havezathe Batinge woonachtig, trokken de streng-gereformeerde Drenthenaren in hooge mate zich het lot aan van de met hen gelijk denkenden streng calvinistische Franschen, die zich te Dwingelo en in de nabijheid van het dorp vestigden en aldaar eene fransch - gereformeerde kerkgemeente stichtten, welke het vierde gedeelte eener eeuw bestond, doch toen is te niet gegaan.

Uit de voorhandene stukken is ten duidelijkste te zien, dat deze Regugiès, door een onbesproken gedrag en door hunne brave handelingen, het uitvloeisel van hun godsdienstig gevoel, zich volkomen de belangstelling waardig toonden, welke zij van de landzaten van Drenthe, hun nieuw vaderland, zoo ruimschoots ondervonden. Door deze werden ze dan ook, na verloop van eenige jaren, als broeders en landgenoten beschouwd en behandeld. Het Landschaps - bestuur deed dat insgelijks. In de jaren 1710 - 1712, toen de fransch -hervormde gemeente te Dwingelo werd opgeheven en hare leden tot de nederduitsche hervormde gemeente aldaar waren overgegaan, werden de destijds nog levende Refugiès en hunne kinderen, immers eenige van hen, als Drenthenaren genaturaliseerd. Zulks geschiedde bij twee resolutien van Ridderschap en Eigenerfden, de staten van het Landschap Drenthe, die van navolgenden inhoud zijn:

 

“Actum op den Landtsdag gehouden tot Assen, den 11 Maety 1710. 

Op de requeste van Philippe de Rion, Nereé Joduin, Philip Alexandre de Rion, Nereé Henriette de Rion, Drenthine Marie de Rion, Isaäcq Beor, Aimé de Goullaine, Judith Aubert, Percide àe Kerveno, Isaäcq Foncet, versoekende alhier naturalisatie, onverkort de previlegien en immuniteiten van dese Landtschap aan haarlieden geaccordeert;

Hebben der Heeren Ridderschap en EygenErfden het versoek invoegen gedaan geaccordeert. 

“Actum op den Landsdag gehouden tot Assen den 22 Mary 1712. 

Op de requeste van Judith de Jodouin, en haar Dogteren Nereé Benine de Goisy, Charlotte Louisse de Goisy, Susanna Judith de Goisy, François Buor, oorspronkelijk uit de Provincie van Poitu, in Frankrijk, verzoekende onverkort de imminiteiten en privilegien waarvan zylieden jouisseren alhier genauraliseert te werden;

Hebben de Heeren Ridderschap en EygenErfden dit versoek eenparig geaccordeert."

 

Andere brieven van naturalisatie, dan de beide vorenstaande, zijn, voor zooveel we bij een naauwkeurig onderzoek kunnen nagaan, nimmer door de Regering van het Landschap Drenthe uitgevaardigd geworden.

 

 

www.oud-schoonebeek.nl